............ CHRISTOFFELHUIS

Laatst gewijzigd: 23-06-2014 © Jan Ruiten

UIT HET VERLEDEN VAN
L
INDANUSSTRAAT 5
VOORHEEN DE HOGE HEGHSTRAET
voorlopige versie

De geschiedenis van het zogenaamde Christoffelhuis in de Lindanusstraat kunnen we in elk geval doortrekken tot de aankoop in 1587. Huis en hof waren toen afkomstig van de erfgenamen Johan Schinck. De nieuwe eigenaar was jonker Johan Hillen, schepen te Roermond en o.a. provisor van het armbestuur. In 1618 maakte hij zijn testament ten gunste van zijn drie kinderen. Bijna twee eeuwen lang is het huis van generatie op generatie binnen de familie doorgegeven, tot de aankoop door het echtpaar Barbou-van der Vrecken in 1777.

Eind februari 1587 verkochten Schincken kinderen een huis met poortweg op de Hoge Hegstraat aan Johan Hillen de jonge. De kinderen Schinck waren de broers Aloff en Merten en Gyrardt Roffaerts als oom en voogd van de nog minderjarige broers Ahret, Hillebrand en Johan Schinck. Samen, dan wel de drie laatsten, waren zij kinderen van Johan Schenck, die nog in 1580 als eigenaar werd genoemd. (En dan hebben we mogelijk te doen met het overleden echtpaar Johan Schinck en Lysbeth van Kessel gn. Roffaerts.)

Enerzijds stond het huis van Lins van Rour en aan de andere kant het huis en erf van Daemke de smid. Lins had zijn huis gekocht van Leen, de weduwe Meurers. Leen was in geldnood geraakt en tot de conclusie gekomen dat het beter was haar huis te verkopen aan haar neef. Lins werd toen genoemd als Lins van gen Muelen, getrouwd met Merke. Naderhand werd hij ook nog genoemd als Lins van Helden en na zijn overlijden ook Lins Feijckens van Helden.

 

|_____
Een huis "beschudden" of "vernaarderen": als familielid van de verkoper, of als naaste buurman, de verkoop aan zich trekken voor dezelfde koopsom plus de kosten.

het huis van laem Mericke

In september 1599 was Mercke van Vlodrop haar schoondochter Trincken nog 200 daalders schuldig, wegens de beloofde huwelijksgift. Haar man Lins en zoon Ahret blijken dan al te zijn overleden. Opdat haar schoondochter zeker kon zijn van de bruidschat, stelde de weduwe haar huis op de Hoge Hegstraat tot onderpand. Huis en hof waren gelegen tussen het huis van Johan Hillen en aan de andere kant het huis van Matthijs van Dulcken.

Spoedig daarop was Trincke hertrouwd met Hein van Melick. Hij kwam met de weduwe van Helden overeen, dat zijn vrouw genoegen zou nemen met 100 daalders uit het huis, te betalen na het overlijden van Mercke.

Het zou nog een hele tijd duren. "Laem Mericke" stierf eerst begin augustus 1623. Omdat niemand meer wist aan wie het huis toekwam, nam de schout van Roermond "namens de heer" al de volgende dag bezit van het huis, met de gebruikelijke handelingen, zoals het open en dicht doen van de straatdeur, met het ophalven van de halen boven het vuur, het roeren met de tang, met graven in de tuin en tenslotte met eten en drinken in huis.

Lenart Feijckens van Helden liet nog diezelfde dag bezwaar daartegen tekenen. Lenart was een rechte neef van wijlen Lins van Helden, waarvan het huis afkomstig was. Met dezelfde handelingen zoals hierboven beschreven, nam Lenart op zijn beurt bezit van het huis. In elk geval van de helft die hem toekwam.

Drie maanden later was het Merten van Haeren uit Vlodrop, die mede namens zijn kinderen bezit nam als erfgenamen van hun tante Mercken van Vlodrop. Merten verkocht hun aandeel in huis en hof aan genoemde Lenart Feijckens en diens halfbroer Jan voor 100 daalders, 1 malder boekweit en een paar schoenen.

Diezelfde novemberdag 1724 nam Lenart een lening op van 100 daalders bij Jan Cuijpers. Daarvan werden meteen 50 daalders aan Merten uitgekeerd en de rest zou volgen met Maria Lichtmis. Een half jaar later, in mei 1624 verkochten Lenart en zijn vrouw Diercxke het huis door aan mr. Laurens Stuyrs en vrouw.

De koop is niet doorgegaan. Jonker Diederick van Hillen had het huis vernaarderd: als naaste buurman voor zich opgeëist. Volgens de beschudakte stond het huis op naam van zijn zuster. (Dat komt dan niet overeen met het testament van hun ouders.) Maar, in zulke gevallen ging familie voor buren. Het was dan ook Hendrick Huermans als rechte neef van Lenart, die het huis voor zich opeiste en toegewezen kreeg. (Naderhand blijkt het huis dan toch weer op het echtpaar Stuyrs te zijn verkocht.)

 

het klooster der jezuïeten

Tot zover het buurhuis aan de ene kant. Aan de andere kant van jonker-Hillen-huis stond eind 16e eeuw het huis van Daemke de smid, naderhand Daem Sloetmakers genoemd. Zijn dochter Trijne Daemen was in huwelijk getrouwd met Thiery Motte, gewezen luitenant der ruiterij in Duitsland. Het echtpaar verkocht het huis in april 1611 voor 275 gulden door aan Engel Reulen. Het waren diens zoon Willem en dochter Marie Reulen, beiden nog minderjarig, die het huis in november 1624 voor 360 gulden verkochten aan Jacob Schoffs en diens vrouw Trijne. Broer en zus werden bij de verkoop bijgestaan door hun oom Guerdt Dyckers. Voor de verkoop was toestemming nodig van het Hoofdgerecht in de stad, wegens de minderjarigheid van de verkopers. De aankopers zouden een aanbetaling van 31 gulden doen zodra het huis bij de kerkenroep aan hem zou worden toegewezen. De rest van ieders aandeel bleef tegen de gebruikelijke rente op het huis staan tot hun meerderjarigheid.

Het huis van de kinderen Reulen grensde aan de andere kant tegen het erf van het jezuïetenklooster. De sociëteit was toen nog niet zo lang in de stad. Het klooster lag aan de Lombardenstraat en de paters wisten voor en na steeds meer aanpalende huizen te verwerven. Pater prior wist met instemming van de Magistraat het huis van Schoffs wegens nabuurschap te beschudden. Tot zekerheid van de koopsom stelde de priester tot onderpand de rente die het college jaarlijks ontving van het Gelderse Overkwartier.

Tussen de kloostermuur en de hoek van de straat waren nog drie huizen overgebleven. Het Hillenhuis, huis en hof van mr. Laurens Stuyrs en op de hoek woonde Jacob van de Winckelmeulen, beter bekend als Jacob de polvermaker, in huwelijk met Agnetis Aerts. Het huis stond sinds jaar en dag bekend als het Munten-oord in het Heckstraatje op de hoek met de H. Geeststraat. Zij woonden hier nog in het rampjaar 1665. Van de tien tot twaalf huizen die begin 17e eeuw aan deze zijde van de Hoge Heghstraat stonden, bleven naderhand enkel drie huizen over. Daartussen liep de kloostermuur van de paters.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

het huis van de kinderen Schenck

Johan Hillen de jonge werd meestal zo genoemd ter onderscheiding met zijn oom, schepen Johan Hillen de oude (+ augustus 1599), in huwelijk met Catharina van der Gryndt. Deze had meerdere huizen in de stad, waaronder huis en hof aan de overkant van Hegstraat.

Kort na de aankoop beleende Johan Hillen de jonge zijn huis op de Hoge Hegstraat met een bedrag van 100 daalders uit de armenkas tegen de gebruikelijke rente van de 16e penning. In september 1588 liet Catharina Mereels, de weduw Schellartz, beslag leggen op de koopsom van het huis dat Johan Hillen van Schincken kinderen had gekocht, wegens een schuld van 73 philipsdaalders uit een oudere lening, afgesloten in 1570. Ook Jurgen van Meegen had nog een vordering bij de erfgenamen Schinck wegens een lening van 200 gulden op het huis.

Overigens had Johan Hillen de jonge ook nog een huis in de Schoenmakersstraat, afkomstig van zijn schoonouders en met name van de familie van zijn Judith Haen, zijn schoonmoeder. Hij verkocht het huis in 1694 voor 1200 gulden aan Dirck van Elmpt en vrouw.

Johan Hillen de oude ontving uit de onderste molen op de Roer, de zogenoemde Hillen-molen jaarlijks een cijns van 6 malder rogge. Tegen betaling van 150 rijderguldens heeft zijn neef Johan Hillen de jonge deze erfpacht aan zich getrokken. Hij bekleedde meerdere openbare functie, zoals kerkmeester van de parochiekerk, gedurende vele jaren provisor van het armbestuur, en sinds 1587 schepen te Roermond en o.a. in 1602 burgemeester.

Het echtpaar Hillen had schulden gemaakt door de processen die zij moesten voeren tot behoud van hun erfgoederen, en vanwege de langdurige ziekte van de schepen. In oktober 1618 maakten Johan en zijn vrouw Anna hun testament. Daartoe hadden zij meerdere leningen moeten afsluiten, zoals 12000 gulden bij raadsheer Jacob van Berck en 700 gulden bij Rut Mortels en verder waren zij nog 500 gulden schuldig van Michel Bijlemeckers en aan de huisarmen 150 gulden. Tevens diende Hillen nog de achterstallige rotpenningen in de ambten Kriekenbeek en Kessel te betalen. Daar de langstlevende van hun beiden niet bij machte is deze schulden te betalen, en om hun twee kinderen een passende uitzet mee te geven, kon dit alleen bekostigd worden met verkoop van de nodige bezittingen. Waarschijnlijk werden hier alleen de dochters bedoeld.

De langstlevende zou volledige volledige zeggenschap krijgen over hun beider erfgoederen, om daarvan zoveel te verkopen, te belenen of verpanden om de schulden af te lossen, zonder inmenging van de kinderen op wat voor manier dan ook.

Vervolgens kwamen de echtelieden tot de volgende verdeling van de erfgoederen onder de kinderen. Hun dochter Judith zou na hun overlijden de hof te Hinsbeck krijgen en de tiende van Ophoven bij Maaseik. Aan hun zoon jonker Dederich Hillen zou de hof aan het Gebroek te Maasniel toekomen, samen met het land in het O.L.Vrouwe-veld. Verder de jaarlijkse pacht op de molen op de Roer en het woonhuis van het gezin op de Hegstraat. Omdat dit erfdeel met de meeste schulden was belast, kreeg de zoon tevens alle goederen in en om Venlo, verder de 100 daalders staande op de stad Roermond, op de Stadsweerd, en de 100 rijderguldens ten laste van de gemeente Bracht. Hun dochter Anna krijgt de goederen onder Kessel en Helden en de rente op deze stad.

Het echtpaar was nog in proces wegens het goed over het Gebroek en het stond niet vast hoe dit zou aflopen, of zij de bouwhof zouden verliezen, of dat de boerderij alleen nog met hoge kosten behouden kon worden. Daarom diende elk der drie(!) erfgenamen hierin gelijk bijdragen.

Mocht iemand van de kinderen hiertegen protest aantekenen, dan zal diegene telkens 12 rosenobelen betalen, een deel aan de heer, een deel aan de armen en een deel aan de overige partijen.

 

schepen Diederich van Hillen

Volgens testament van zijn ouders zou Diederich Hillen (1595-ca.1655) o.a. het huis op de Hegstraat erven. In mei 1643 trouwde Theodorus van Hillen op de Spick te Swalmen met domicella Gertrudis van Dursdaell, dochter van wijlen Arnold van Dursdaell en Christina Trippen. Twee jaar later in februari 1645 werd hun dochtertje Anna Christina te Roermond ten doop gehouden. In die tijd komen we Diederick geregeld tegen als schepen van het stadsbestuur. In 1650 tevens burgemeester.

In december 1652 zien we jonker Hillen voor het laatst als schepen optreden. Precies vier jaar later krijgen we de bevestiging, dat hij overleden is. In december 1656 toonde Johan Hillen, procurator aan het Hof, een volmacht, getekend door Geertruijdt van Dursdael, weduwe van jonker Dederick van Hillen, voorheen schepen en burgemeester te Roermond. In februari 1653 hadden beide echtelieden nog een testament opgemaakt, waarschijnlijk met het voornemen, dat de langstlevende van beiden, vrij over de erfgoederen mocht beslissen. De weduwe had bij openbare verkoop afstand gedaan van meerdere morgen akkerland in het O.L.Vrouwe-veld voor het bedrag van 1100 gulden.

Vervolgens blijkt dat het echtpaar ook op de Dries nog een huis bezat. In maart 1657 liet zij het buurhuis, dat kort voordien verkocht was, beschudden voor de prijs van 466 gulden plus kosten van overdracht en beschud. In september 1658 werd een huis met moestuin in de H. Geeststraat verkocht. De tuin kwam uit op de muur van de weduwe Hillen, waartegen verkopers in het verleden een stalletje hadden getimmerd. Op verzoek van de weduwe, werd het bouwsel nu afgebroken.

 

de verloren zoon?

Genoemde Johan Hillen, procureur en notaris bij het Hof van Gelder, noemde bij een volgende gelegenheid Gertruijdt van Dursdaell, voor wie hij in haar weduwenstaat verder nog meer zaken regelde, zijn schoonzus*. In februari 1660 verkocht de weduwe aan Jan van Hillen, in huwelijk met Sophia Janssen, de helft van de erfpacht staande op de onderste molen, afkomstig van schepen Johan Hillen de jonge. Binnen een maand verkocht het echtpaar hun aandeel in de erfpacht aan de prior van het kartuizerklooster, in ruil voor een huis in de Munsterstraat, afkomstig van frater Antonius ab Basel.

*In de akte staat duidelijk "schoonmoeder", maar dat kan een fout van de kopiist zijn. Toch is het opmerkelijk, dat in het testament van de ouders, nadrukkelijk sprake was van drie kinderen en bij de verdeling der goederen alleen Judith, Diederick en Anna genoemd werden. Hun zoon Jan, de jongste van het stel, zou dan voor 1718 gestorven zijn. Uit zijn huwelijk met Sophia Janssen van der Haighen zijn vijf kinderen bekend. Zowel dlla. Gertrudis Hillen (van Dursdaell), die veel steun aan hem had bij haar zakelijke beslommeringen, als ook haar dochter Anna Christina komen we onder de doopgetuigen tegen. Op haar beurt was Sophia in 1674 peettante van kleindochter Agnes Lintgens.

Nu de familieverhoudingen duidelijk zijn, blijft de vraag, waarom Johan niet voorkomt in het testament van zijn ouders. Bij de verdeling van de erfgoederen was hij geen partij.

Buurman Lins Stuijrs had meerdere schulden gemaakt. Uiteindelijk liet de weduwe van burgemeester Goddart van Mulbracht beslag leggen op het huis. Nog geen maand later in juni 1650 werd het huis met de achterliggende hof door de schout bij openbare verkoop verkocht en overgedragen aan pater Conrardus van Haften, procurator der jezuïeten namens het klooster. Twee maanden later verkocht deze huis en moestuin door aan notaris Johan Hillen en vrouw. Jan Hillen was in 1647 getrouwd met Sophia van der Haighen. Naderhand werd zij steevast Sophia Janssen genoemd.

Kort voor de stadsbrand beleenden de polvermaker Jacob van der Winckelmeulen en zijn vrouw Agnes Aerts in februari 1665 hun huis aan het Heckstraatje, genoemd Munten-oord, naast het huis van de jr. Hillen, met een kapitaal van 200 gulden. In feite lagen hier naast elkaar drie huizen: op de hoek het huis van het echtpaar Winkelmeulen, vervolgens het huis van procureur Hillen en tenslotte huis en hof van de weduwe Hillen-van Dursdaell. Wat de notaris betreft, hij zal het grotere huis aan de Munsterstraat verkozen hebben als zijn woning.

 
Het betreffende huis aan de Hoge Hegstraat. In die tijd (1671) op naam van raadsheer Lintgens en zijn vrouw.
(4 = jezuietenklooster; 11 = bisschops-hof; 12 = het Hof van Gelder.)
 

auditeur Jan Baptist Lintgens

Uit het huwelijk van Diederick van Hillen met Gertrudis van Dursdaell is een kind bekend: hun dochter Anna Christina van Hillen (1645-1694), vernoemd naar de beide grootmoeders. De jonge vrouw trouwde ca. 1664 met Johan B. Lintgens, raadsheer aan het Hof van Gelder. Het echtpaar kreeg tussen 1664 en 1686 twaalf kinderen, waaronder een tweeling. Onder de doopgetuigen komen we ook Sophia van der Haegen, dicta Hillen tegen, buurvrouw en tante van Gertrudis.

De auditeur J.B. Lindtgen wordt in de overdrachten van Roermond voor het eerst genoemd in 1658. Uit die jaren is van het echtpaar Lintgens geen andere woning in de stad bekend. Het is aan te nemen, dat zij bij de weduwe Hillen op de Hegstraat zijn gaan wonen. Gertrudis van Dursdael werd nog in januari 1683 onder de levenden genoemd.

In die jaren werd naast het huis van de erfgenamen Lindtgens alleen nog het hoekpand "In De Heiligen Geist" genoemd, dat door de weduwe Smabers werd verkocht aan de raadsverwant Leonard Cox. Het tussenhuis van procureur Hillen, moet dan (nog voor 1787) in een van beide huiserven zijn opgegaan.

De omvangrijke erfgoederen van raadsheer Lindtgens en Anna Christina Hillen werden onder de kinderen verdeeld. De boerderij aan het Gebroek te Maasniel, sinds geruime tijd bekend als Lintgenshof, ging over op dochter Agnes Margareta Lintgens (1674-1713), die in de zomer van 1712 te Ulenbeeck (België) trouwde met jonker Joannes Th. deVocht, weduwnaar van mevrouw Thérèse d'Oubiniez, zeer tegen de zin van haar familie.

Uiteindelijk bleven over: Johan Th. Lintgens, in huwelijk met Maria Elisabeth Meijer, de dochters Maria Christina (x Arnold van Hemselrode zu Staekenborgh) en Catharina Theresia.


...seecker huijs gelegen op de Heggestraete binnen dese stadt, ter eenre de behuijsinge tegenwoordigh bewoont door meester Matthijs op den Graef, ende ter andere sijde den hof van de eerw. patres Jesuiten... dd. 12-7-1737
(RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder Roermond, inv.nr. 444-4738.)
 

advocaat Hieronymus Gillekens

Catharina Theresia Lintgens (1681-1759) trouwde in september 1709 met jonker Hieronymus Gillekens (1656-1722), advocaat aan het Hof van Gelder, zoon van Jacob Gilkens en Anna Maria Maen. Zijn ouderlijke huis viel toe aan zijn jongere broer Philip, in dienst van de koning van Spanje. In ruil vermaakte hij aan zijn moeder haar levenlang een rente van 20 rijksdaalders uit zijn kindsdeel in de goederen te Vlaanderen.

Het huis op de Hoge Hegstraat werd vererfd op genoemde Catharina Lintgens. Advocaat Gillekens was uit eerdere huwelijken weduwnaar van Maria Leonora van den Kerkhove en van Anna Maria de Marschal. Uit het eerste huwelijk zijn zes kinderen bekend. In die tijd woonde hij in zijn huis op de Hamstraat. Mogelijk, dat hij tijdens zijn derde huwelijk op de Hegstraat is gaan wonen. Uit dit huwelijk werden nog acht zoons en drie dochters ten doop gehouden. Niet allen zouden de kinderjaren overleven.

In juli 1737 nam de weduwe Gilkens, geassisteerd door de kanunnik Pallandt en dhr. Henricus van Baerll namens haar minderjarige kinderen, een lening op van liefst 1000 pattacons bij het echtpaar Michiel van Son en Maria Louisa de Gilkens. Tot onderpand van de hypothecaire lening stelde de weduwe haar huis in de Hegstraat, belast met een dukaat aan de huisarmen en met een dukaat aan de vicarie in de parochiekerk.

Deze zegelbrief werd vererfd op hun dochter Maria Antoinette van Son (1722-1786), in huwelijk met postmeester Arnold Ruijs (1711-1760) te Venlo, en vervolgens op haar kinderen.

Naderhand blijkt dan, dat het nogal haperde met de jaarlijkse betalingen. De rente tot het overlijden van de weduwe Gilkens bedroeg in totaal 840 pattacons, waarvan een bedrag van 391 wegens diverse aflossingen in mindering kon worden gebracht. Hetzelfde berekend over de periode tot januari 1771, waren de erfgenamen, na aftrek van meerdere aflossingen, nog 250 pattacons schuldig gebleven.

Maar al in september 1770 werd op verzoek van raadsheer Ruijs te Venlo door het Hof te Roermond arrest aangetekend op het huis van de erfgenamen Gilkens. Buiten het huis in de Hegstraat, in die dagen bewoond door raadsheer Costerius de Herma. Buiten de moestuin in de Beckerstraat, waren er geen andere erfgoederen waarop de schuld verhaald kon worden.

Raadsheer Ruijs trad op namens zijn (minderjarige) broers. De schuldbrief was hen uit nalatenschap van hun moeder toegevallen. Van de oorspronkelijke belening resteerde nog een schuld van 789 pattacons plus 47 pattacons aan gemaakte kosten. Verder wist armenmeester Thomassen te melden, dat de jarcijns van een dukaat, ofwel 8 gulden, inmiddels was opgelopen tot ruim 240 gulden.

Niet eerder dan op de derde zitting van de openbare verkoop in januari 1771 werd voor het eerst ingezet door dhr. dePartz, landscholtis van het ambt Montfort, met 5 hoogsels. Blijkbaar was niemand verder bereid om mee te bieden. Het huis ging voor 875 pattacons van de hand. Dat was veruit niet genoeg om de schulden te voldoen. Een jaar later ging de moeshof voor 125 pattacons over op de avocaat van Dunghen, ondanks de protesten van de erfgenamen Gilkens.

De kwestie was daarmee nog niet van de baan. In de daaropvolgende zaak tussen de gebroeders Ruijs enerzijds en de erfgenamen Gilkens anderzijds, blijkt dat deze laatsten nog schuldig waren het lieve bedrag van 2.400 pattacons. Tot mindering daarvan kon gesteld worden een totaal van 1.695 pattacons wegens meerdere aflossingen in de loop der tijd gedaan en de verkoop van het huis en genoemde moeshof. Resteerde nog bij slot van rekening een te betalen schuld van 705 pattacons.

In 1774 werden als erfgenamen van wijlen raadsheer Hieronymus Gilkens (overleden in 1722) genoemd de overste-luitenant (Jacobus) Gilkens, luitenant NN Gilkens en hun zwager dhr. Servatius de Ploenus, namens zijn vrouw Maria Joseph Gilkens.

 

landscholtis Paulus dePartz

Bij openbare verkoop in januari 1771 was het huis op de Hoge Heghstraat voor 875 pattacons overgaan op chevalier Paulus de Partz, sedert kort schout van het ambt Montfort (1768-1784), en zijn vrouw Theresia de Muller. Een jaar later, in april 1772, verkocht Theresia de Muller haar helft in huis en inboedel voor 625 pattacons aan haar eheheer. Deze nam daarbij ook de twee leningen van resp. 600 en 400 pattacons op zich.

Het echtpaar dePartz verkocht in de daarop volgende jaren nog meer goederen om gemaakte schulden te betalen. De chevalier werd meerdere keren voor het Hof te Roermond gedaagd als ook voor het Hof van Justitie te Venlo, wegens achterstallige renten of vorderingen wegens diensten. Ook haperde het met de de renteaflossingen aan raadsheer Ruijs te Venlo. Mogelijk zijn de vele processen hierover aanleiding geweest, om ook het huis in de Hegstraat om te verkopen. Zelfs de verkoop van het herenhuis in de Hegstraat voor het riante bedrag van 2000 pattacons was niet voldoende om uit die schuldenlast te geraken.

In december 1777 werd het huis met de bijbehorende stalling, remise en moeshof, enerzijds gelegen naast het erf van de gewezen paters jezuïeten en aan de andere kant grenzend aan het huis van Peter op de Graeff, meester timmerman. De kopers waren dhr. Octave L. Barbou en zijn eheliefste Alexandrina van der Vrecken.

Ook een deel van de inboedel ging mee. Een uitgebreide opsomming volgde: de behangsels, kasten en schapen met de ijzers in de keuken en in de provisiekamer, de 2 kasten in de achterste gang en op de trap, de linnenkast, alle mantelstokken, de twee kippenhokken, de krib in de stal, alle bomen in de hof.

De lening van 600 pattacons bij dhr. Hendricx en 400 pattacons bij raadsheer Ruijs te Venlo, bleven voorlopig op het huis staan. Tevens was het huis toen nog belast met de erfcijns aan de huisarmen, toen het hospitaal, en aan de vicarie. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 323.)

Het echtpaar Barbou belegde zijn geld in meerdere goederen buiten de stad, zoals de Bosch-hof in Maasbracht-Beek en (omstreeks 1790) het buitengoed Heysteren in de Linnerweerd. Daar vertoefde het gezin gewoonlijk tijdens de zomermaanden. Ook had de koopman uit Amsterdam nog een huis op de hoek van de Jezuïetenstraat, dat hij aan meerdere personen had verhuurd.

Tot 1770 was het huis gedurende bijna twee eeuwen van generatie op generatie vererfd. Daarna volgden de nieuwe eigenaars elkaar op voor langere of kortere duur.

Alexandrina van der Vrecken (1740-1817) trouwde in februari 1766 in tweede huwelijk te Amsterdam met Octave Leon Barbou (1732-1800). Acht jaar later verhuisde het gezin naar Roermond. In 1777 kocht het echtpaar een huis in de Hoge Hegstraat. Huis en hof waren na een slepende rechtzaak tussen de erfgenamen Gillekens onderling in Roermond en Venlo, door het Hof van Gelder bij opbod verkocht. De gefortuneerde zakenman liet het huis verbouwen en aanpassen naar de mode van die tijd in de Louis XVI-stijl. Op de afbeelding hiernaast staat het huis ingetekend, gezien vanaf de toren van de H. Geestkerk, door een Franse officier in 1810. Het origineel bevindt zich in het gemeentemuseum van Roermond. Naderhand is het huis opnieuw enkele keren verbouwd en heeft al sedert vele jaren geen woonfunctie meer.