Genealogie Janssen

 









Laatst gewijzigd: 02-05-2015 © Jan Ruiten

DE HOEFSMEDEN-FAMILIE JANSSEN
IN DE ROERSTREEK

Het beslaan van paarden gebeurde meestal in de hoefstal. Dat ging niet altijd even gemakkelijk. Vooral de jonge paarden konden nog weleens tekeergaan, wanneer zij voor het eerst werden beslagen. En bij onwillige paarden gebruikte de smid een zogenaamde "praam". Dit hulpmiddel werd gebruikt onder het motto: wie niet horen wil, moet maar voelen. Een praam was een korte stok, met een riempje aan het uiteinde. De lus werd om de bovenlip geschoven en dan zolang aangedraaid, totdat het dier zziech niet langer verzette. Overigens wordt dit paardenmiddel soms nog door de veearts gebruikt. (Uit: Jaarboek 2000, uitgave Heemkunde Vereniging Roerstreek.)

Ook het paard van de Witte Molen te Posterholt was zo'n eigenzinnig dier. Wanneer het iemand zag naderen, begon het beest al te briesen. Bij het beslaan werd eerst een brede riem onder de buik geschoven en opgehangen, om te voorkomen dat het driftige paard door de knieën zakte.

Het is duidelijk: we zijn bij de smid thuis. Een shetlander was te klein voor de hoefstal. Het beslaan van een pony gebeurde dan ook daarbuiten: los-in-de-hand. Wanneer het even tegenzat, huppelde het dier menig rondje door de werkplaats. En de smid sprong er achteraan.

... afkomstig van Karken

Peter Jansen uit Heinsberg trouwde in april 1782 met Gertrud Schmitz uit Karken. Daar vestigde Peter zich als hoefsmid. Hun vijf kinderen werden gedoopt in de kerk van Sankt Severin aldaar. Jan Willem Janssen (1787-1855) was de enige zoon in huis en het was al vroeg duidelijk, dat hij de "Schmiede" naderhand zou overnemen. Aanvankelijk mocht hij proberen of hij met de blaasbalg het vuur kon aanwakkeren. En toen Willem de zware hamer kon hanteren, mocht hij zelf het ijzer smeden.

Jan Willem trouwde in juli 1809 te Karken met Anna Catharina Frencken. Vijf kinderen werden uit dit huwelijk geboren. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde de hoefsmid in juli 1835 met Maria Catharina Louis, eveneens geboren en getogen te Karken. Nog eens zes kinderen zouden volgen, maar de meesten stierven jong.

Ook in de derde generatie waren de zoons Jansen hoefsmid van beroep. Terwijl zijn broers Peter en Bernard in Karken bleven, verhuisde Gottfrid H. Jansen (1815-1871) naar Vlodrop. Daar komt hij in de bevolkingslijst van 1840 voor als smid en huisvader. Kort voordien was hij in oktober 1839 te Karken getrouwd met Helena Haus (1818-1893).

Volgens de lijst van 1829 woonde de 11-jarige Helena, dochter van Severin Haus en Maria Catharina Rixkens, nog bij haar moeder thuis te Vlodrop. Elders in het dorp woonde toen het bejaarde echtpaar Willem Rixkens en Helena Thissen. Willem was nog als smid werkzaam. Het is mogelijk, dat Godfried bij hem als gezel in de leer is geweest en vervolgens het werk in Vlodrop heeft overgenomen. Of werkte Heleen toen als dienstmeid in Karken? In elk geval zijn ze kort na hun huwelijk in Vlodrop gaan wonen en is Godfried daar als hoefsmid begonnen.

Willem Rixkens liet bij zijn overlijden in februari 1840 een huis met tuin in de Grootestraat na (sectie A p.261-262), en verder nog enkele akkers. Aan roerend goed een "kleinen inboedel als boeren huismeubelen en eenig smitsgereedschap".

Een groot deel van de nalatenschap ging naar de kinderen van zijn neef Peter Rixkens. Dat was o.a. diens dochter Maria Catharina Rixkens, de weduwe Haus. Vermoedelijk werd het werk in de smidse door Godfried overgenomen. De werkplaats zelf heeft hij echter niet in eigendom verworven.

Gottfrid Jansen heeft het vuur voor het smidsvak naderhand aan zijn jongens overgedragen. We zullen dan ook zien, dat het handwerk van hoefsmid nog generaties lang in de familie van vader op zoon werd doorgegeven. Tenminste voor zolang de boeren bij de akkerwinning nog van trekpaarden gebruik maakten. Uiteraard voerden zij daarnaast ook nog ander smidswerk uit. Geleidelijk aan gingen sommigen breder oriënteren en zochten ze het meer in de richting van bankwerker. Vervolgens hielden anderen zich in hun smederij steeds meer bezig als "fietsenmaker". Rond 1920 tellen we in de familie Janssen zes smeden in Herkenbosch, Vlodrop, Posterholt en Sint-Odilienberg.

... huis en tuin te Vlodrop

Het echtpaar Janssen in Vlodrop kreeg negen jongens en vier meisjes. De meesten stierven binnen het eerste levensjaar. Alleen de vier overgebleven zoons staan in bijgaande stamboom vermeld. Huis en Tuin in het dorp (sectie D p.563-561) waren afkomstig van dagloner Frans Lint. Zou het kunnen, dat Godfried de smidse mogelijk niet aan huis had? Dat moet haast wel. Ten eerste spreekt het kadaster hier niet van een smidse of werkplaats. Maar er zijn meer aanwijzingen.

Nadat Godfried in november 1871 het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld en de kinderen hun eigen weg waren gegaan, bleef de weduwe Janssen alleen nog met haar dochter Maria (1862-1911) in huis achter. Het meisje verdiende de kost als naaister. Twee maanden nadat Helena Haus was gestorven, werd alles in augustus 1893 verkocht. Huis en tuin gingen voor fl.300 op haar dochter over. Haar vier broers hadden elk hun werkplek al elders gevonden en dus niet thuis. Indien er een smidse was geweest, dan had ongetwijfeld een van de zoons die wel overgenomen. Zes jaar later, in oktober 1898, trouwde Anna Maria Janssen, toch al 36 jaar oud, met kleermaker Hendrik Beckers uit Vlodrop.

Bij de boedelveiling in augustus 1893 kochten de kinderen Janssen zelf ijverig mee. Het waren immers meest nog bruikbare spullen. De grotere stukken werden uiteraard het laatst geveild. Marie zelf kocht uit het huisgerief een koffiepot en -molen, een lamp, emmers, twee ketels, stoelen, een kist, een ledikant en de kachel met toebehoor. Voor een kist betaalde ze evenveel als voor het ledikant (5 gulden). Ik vermoed, dat het dan ook een bewerkt exemplaar is geweest. Het duurste stuk van de hele inboedel, de naaimachine, ging aan haar neus voorbij. Voor 20 gulden kon Willem Jansen er zijn vrouw mee blij maken. Bij de veiling werd geen smidsgereedschap aangeboden. Dat moet al eerder van de hand gegaan zijn. Het was toen immers al meer dan twintig jaar geleden dat Godfried gestorven was.

Zoon Peter woonde in 1872 (sinds kort) in Kruchten. Daar had hij zich als hoefsmid gevestigd. Hij was getrouwd met Elisabeth Thomassen. Het echtpaar verhuisde naderhand naar Rheidt (=Rydt bij Nederkruchten). In augustus 1893 blijken beide echtelieden reeds overleden. Zij lieten drie zoons na, die toen als hun erfgenamen optraden. Frans was al meerderjarig en verdiende de kost als werkman in Rheidt. De andere twee, Johann en Theo, stonden nog onder voogdij van (hun oom?) Pieter Reiners. Of de jongens in het voetspoor van hun vader zijn getreden, is niet bekend.

De twee oudste zoons van Godfried hielpen hun vader al vrij spoedig bij het vele werk in de smidse. Wie voor het vak koos, ging na z'n schooljaren als leerjongen bij een smid in dienst. Na een of twee jaar trok men verder. Als smidsgezel kon men zich dan verder bekwamen, om daarna eventueel en eigen smidse te beginnen. Hier zien we echter, dat de jongens het vak van hun vader hebben geleerd. Naderhand trok Willem Janssen (1840-1907) als volleerde smidsknecht naar Waldniel. Hij is dan 22 jaar; oud genoeg om als gezel in dienst te gaan.

Na zes jaar keerde hij weer terug. Dertig jaar oud vertrok Willem naar Herkenbosch, om er een eigen smederij te gaan beginnen. Daar had hij de diensmeid Clara Peggen (1841-1912) leren kennen, met wie hij in februari 1871 trouwde. Marie was een dochter van Pieter Peggen en Ida Tillemans.

Als kind verloor het meisje al vrij vroeg beide ouders. Ida op haar beurt was een dochter van Leon Tilmans, die zich hier in 1797 vanuit Opspringen als hoefsmid vestigde. Pieter woonde met vrouw en kinderen in de Drekstraat. Huis, erf, schuur en moeshof werden samen gemeten op 15.60 are. Verder had hij nog enkele akkers, o.a. aan de Schoolkamp en in de Steeg. Maar van smidsgoederen is bij zijn overlijden in oktober 1850 geen sprake. Hij verdioende dan ook de kost als akkerman.

... Wulm Janssen in Herkenbosch

Willem Janssen bezat in Herkenbosch twee huizen: het ene Achter de Zandstraat en het andere aan de Hammerstraat. Daarbij kwamen nog 14 percelen akkerland, een wei en enkele stukken heidegrond. Alles bij elkaar bijna 270 are groot. Daarvan werd in 1907, na Willems overlijden, de waarde geschat op 3.600 gulden. De roerende goederen, zoals huismeubels, kleren en linnengoed, akkergereedschap, veldvruchten en vee en "andere roerende zaken" werden beraamd op 800 gulden.

Maar er was nog meer. Op de Boerenleenbank had het echtpaar nog een "inlage" van 700 gulden. Toen de weduwe Janssen in mei 1912 stierf, was het land nog onverdeeld in familiebezit. Tot het sterfhuis in de Hammerstraat behoorde verder een tuin, schuur, stal en werkplaats, samen 6.30 are groot. Hier was dus ook de smidse gevestigd. Het andere huis was ondertussen verkocht (aan schoonzoon Jan Simons?).

Het echtpaar Janssen kreeg acht kinderen: zeven meisjes en een zoon. Alleen de drie oudsten komen we naderhand nog in Herkenbosch tegen. Dochter Anna Maria woonde alweer geruime tijd als kloosterzuster in het Liefdesgesticht te Eindhoven, toen haar jongere zus omstreeks 1910 als religieuze ging werken in het St. Jans-Gasthuis te Weert.

Het huis in de Hammerstraat ging over op hun broer Hendrik Janssen (1874-na 1939). Hij trouwde in november 1908 met Maria Petronella Simons (1880-na 1939), dochter van Jan Simons en van Anna Catharina Claessen. Hendrik was toen al in de voetsporen van zijn vader getreden en verdiende de kost als meestersmid.

Twee jaar eerder al was zijn zus Maria Catharina (1878-1959) getrouwd met de zoon van genoemd echtpaar. Jan Simons jr. werkte evenals zijn vader voordien als landbouwer te Herkenbosch. Van de weduwe Simons werd bij haar overlijden in februari 1959 gezegd, dat zij bekend stond als een vrome vrouw, die trouw elke dag ter kerke ging om de kruisweg te bidden. Haar zus Margaretha was omstreeks 1910 getrouwd met Kaspar Smeets, werkman te Melick.

Het moet Hendrik als smid niet hebben meegezeten. Nadehand heeft hij de smidse opgegeven en is ook hij gaan boeren. In het bevolkingsregister van 1920 staat hij te boek als landbouwer. Dochter Maria helena was enig kind in huize Janssen. Het meisje trouwde op 20-jarige leeftijd in september 1937 met Hendrik Moors uit Melick.

... Harie Janssen aan De Wal in Vlodrop

In 1865 vertrok Hendrik Janssen (1849-1935) naar Waldniel, waar toen nog zijn broer Willem werkte. Hendrik was nog maar 16 jaar, toen hij daar als smidsknecht in de leer ging. In 1872 was hij alweer terug in Vlodrop en verdiende hij de kost als volleerd hoefsmid. Hij trouwde drie jaar later in april 1875 voor de Burgerlijke Stand van Swalmen met Angelina Klumpkens (1847-1918) uit die plaats. Het kerkelijk huwelijk werd drie dagen later in Vlodrop voltrokken.

Het gezin Janssen-Klumpkens is omstreeks 1880 als onderhuurders (commensaal) in het huis van weduwnaar Gerard van der Beek gaan wonen. Na diens overlijden in 1881 nam Hendrik de woning over. Daar begon hij een smederij. In het huis aan De Wal werden hun negen kinderen geboren. Slechts vier van hen zouden de kinderjaren overleven. Ook de smidsknecht Michiel Verboeket is met Hendrik meeverhuisd. In 1879 was hij bij Janssen in dienst getreden. Twee jaar later vertrok hij naar Maasbree. Andere jongens volgden hem op om bij Harie Janssen als smidsknecht in de leer te gaan. O.a. Willem Janssen uit Nederkruchten. Na zijn leertijd vertrok de jongen in 1888 naar Braunsrath.

Ook de twee dochters vertrokken naar elders. Helena Janssen (1883-1975) ging in 1905 naar Mönchen-Gladbach. Zij trouwde enkele jaren later met Joseph Welters (1881-1953). Het echtpaar ging in Rheindalen wonen. Haar zus Anna Janssen (1884-1967) verhuisde in 1910 naar Posterholt. Haar man Herman Sliepen (1813-1968) verdiende de kost als metselaar. Bleven de twee zoons Peter en Wiel Janssen.

Hun moeder maakte in november 1917 haar testament bij notaris Tijssen te Sint-Odiliënberg. De vrouw was ziek en voelde haar einde naderen. Angelina Klumpkens stierf drie maanden later. Toen was bepaald, dat haar man zijn leven lang vruchtgebruiker bleef van haar nalatenschap. Daarvan kwam dan echter 36 are land op naam van zoon Wiel. Daarvoor betaalde hij de anderen 400 gulden uit. Voor een bedrag van f.1770 verwierf zoon Peter het huis met de tuin. Samen met de akkers en een stuk heide ruim 1 ha groot. (Ik neem aan, dat het in beide gevallen om de halve waarde ging. De wederhelft van de grond bleef immers op naam van hun vader staan.)

De halve waarde van het onroerend goed werd beraamd op f.2700. De "roerende lichamelijke zaken" van de overledene werden geschat op de helft van f.700. Daarnaast stond nog een bedrag van 350 gulden op de Rijkspostspaarbank. Na aftrek van de onkosten werd de nalatenschap berekend op f.3085 (= de halve waarde). Dit zou op de vier kinderen overgaan.

De erfdeling kon echter niet vlekkeloos geregeld worden. Dat wil niet zeggen, dat de kinderen Janssen onderling ruzie kregen, maar volgens een bepaling uit het testament zou de zaak binnen negen maanden afgehandeld moeten zijn. Peter zou als enige van zijn moeder erven, indien die regeling "buiten zijn schuld" niet mocht lukken. En dat was nu juist het geval. Onderling waren de erfgenamen weliswaar tot een verdeling gekomen, maar wegens "buitengewone omstandigheden" kon dit niet wettelijk bekrachtigd worden. Hiervoor ontbrak immer de goedkeuring van schoonzoon Joseph Welters als man en voogd van zijn vrouw. Maar de soldaat bevond zich toen als krijgsgevangen in Rusland. We zitten dan in de nadagen van de eerste wereldoorlog. Het liep gelukkig goed af voor hem. Josef is naderhand weer heelhuids thuisgekomen.

Peter Janssen (1878-1945) bleef inderdaad met zijn vader werken in de smidse aan De Wal, die hij naderhand in volle eigendom zou overnemen. (Nu is dat Bergerweg 5.) Hij was in juni 1906 getrouwd met Cornelia Fabus (1877-1937). In 1926 stond de smidse nog op naam van vader en zoon. Zij waren gespecialiseerd in "grof en fijnsmederij".

Zoon Harry Janssen (1813-1966) trouwde op zijn beurt met Maria Helena van Bree. Na de oorlog zette hij het smidswerk van zijn overleden vader voort. Zoals o.a. blijkt uit een advertentie uit 1950 dreef hij te Vlodrop tevens handel in landbouwwerktuigen.

Door ziekte overmand werd Har Janssen verpleegd in de Maaslandkliniek te Horn. Daar stierf hij in september 1966, slechts 53 jaar oud. Zoon Peter begon verderop aan de Bergerweg een rijwielzaak.

Wiel Janssen (1881-1974) bouwde in 1917 verderop in het dorp zijn eigen boerderij. (Nu is dat Bennebroekweg 10.) Hij was in juli van dat jaar getrouwd met Anna Maria Leppers (1889-1967) uit Swalmen. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen bekend: dochter Gertrudis en de zoons Piet (191901987), Sef (1921-1980) en Matjeu (1923-1991).

Aanvankelijk moet Willem nog hebben gewerkt in de smidse van zijn broer. Naderhand eerst is hij voor zijn eigen begonnen. Daartoe werd de koestal achter het woonhuis tot smederij omgebouwd. Dat moet dan al voor 1926 zijn geweest, want toen adverteerde W. Janssen als "rijks gediplomeerd hoefsmid" in de feestgids van de jubilerende fanfare Wilhelmina. Wiel besloeg o.a. de paarden van Mortelshof en St. Ludwig. Ook de boeren van Paarlo behoorden tot zijn vaste klanten. Verder was hij een zeer kundig siersmid. Als zodanig heeft hij ook de kandelaars van de parochiekerk gemaakt en veel ander siersmeedwerk voor particulieren.

Naderhand hielden de gebroeders Janssen zich steeds meer met ander smidswerk bezig dan het beslaan van paarden. Daarin was langzaamaan de klad gekomen. Als bankwerker en fietsenmaker was er meer te repareren. Het echtpaar Janssen-Leppers dreef in de Grootestraat tevens een winkel, waar zij huishoudelijke artikelen en rijwielen verkochten. Wiel stierf in de gezegende leeftijd van 92 jaar. Toen had zoon Piet al het smidswerk overgenomen, terwijl Gertrudis voor het huishouden zorgde. Broer en zus bleven in het boerderijtje aan de Bennebroekweg wonen in gemeenschap van goederen. Hun broer Matjeu ging als missionaris werken in Zuid-Afrika. Daar stierf pater Janssen in september 1991 te Windhoek.

 

... Jan Janssen in Posterholt

In Posterholt was zojuist Martin Thissen (1816-1876) gestorven, hoefsmid in het dorp. Hij was geboortig van Steinkirchen en getrouwd geweest met Catharina Timmermans (1822-1879), de weduwe Maessen. De vrouw bleef achter met haar voordochter Petronella en de vier nakinderen. Het moeten enkele moeilijke jaren geweest zijn. Geen man in huis om het werk voort te zetten en de smidsgezellen waren al eerder vertrokken.

Het moet zich toch rondgesproken hebben, dat er een smidse was vrijgekomen. Twee jaar later, in september 1878 kwam Jan Janssen (1851-1918) hier inwonen. Het is mogelijk, dat hij voordien ook al vanuit Vlodrop enkele dagen per week is overgekomen. Als volleerd hoefsmid kon hij meteen aan de slag. In april daaropvolgend trouwde hij met de 23-jarige dochter des huizes Cornelia Thissen (1855-1913).

Haar broertje Peter (*1864) werkte mee als smidsknecht. Hij leerde het vak van hoefsmid van zijn schoonbroer, buiten datgene wat hij al van zijn vader had meegekregen. Want natuurlijk was het aanvankelijk zo voorzien, dat hij als enige zoon zijn vader in de smidse zou opvolgen. Peter was nog maar vijftien toen ook zijn moeder in december 1879 stierf. Naderhand zou hij elders in de Hoofdstraat zijn eigen smidse beginnen.

Het gezin Thissen woonde tegenover de kerk. Huis, tuin en de akker daarnaast -samen 13.40 are groot- stonden voorheen op naam van Jacob Maessen. (sectie B p.532-533-534) Daarbij kwamen nog eens 17 stukken akker- en hooiland te Posterholt en Vlodrop. De helft van de onverdeelde eigendom ging na zijn overlijden in 1850 over op zijn dochter Petronella. Catharina Timmermans nam vrijwel alle goederen mee in haar tweede huwelijk. Martin Thissen was er slechts voor 1/8 deel in gerechtigd. Zijn vrouw voor 3/8 deel, zoals blijkt uit haar Memorie van Successie, opgemaakt na haar overlijden eind 1879. Haar aandeel in de vaste goederen werd toen berekend op 872 gulden. Het roerend goed werd geschat op 400 gulden. Ook daarin was zij voor 3/8 deel berechtigd. De rest kwam dus haar voordochter toe.

Petronella Maessen werkte toen als dienstmeid in Brüggen. De opsomming van de inboedel begint met de smidsgereedschappen en bestond verder uit allerhande keukengerief, het lijnwaad en beddegoed, de huismeubelen en de akkergereedschappen. In de stal stonden twee koeien en een geit. Ook het veldgewas werd in de nalatenschap meegeteld. Het grondbezit geeft al aan dat de smid in de tijd die hem restte ook op het land werkte. Dat was toen eerder regel dan uitzondering.

Het heeft nog enige tijd geduurd, aleer de erfdeling onder de kinderen van Catharina Timmermans plaats vond. Jan verwierf in elk geval het huis met de smidse en het land erachter. Naderhand heeft hij de grond samengevoegd en de bebouwing uitgebreid met een schuur, een stal en een (nieuwe?) werkplaats. (Sectie B p.2149)

Het echtpaar Janssen-Thissen kreeg zes kinderen, te weten: Hendrik (1880-1948), Willem (*1881), Peter (*1884), Martin (1887-1969), Helena (*1890) en Jan (*1895). De oudste zoon vertrok in mei 1897 naar Uetterath. Zeven jaar later keerde hij thuis terug vanuit Eschweiler, samen met zijn broer Martin. Ondertussen hadden zij zich het smidsvak eigen gemaakt. Na hun gezellenjaren elders te hebben doorgebracht, werkten de jongens voorlopig mee in het bedrijf van hun vader.

Zo ook hun broer Peter, die in Karken en Hulhoven in de leer was geweest. In 1909 vertrok hij alweer, nu met bestemming Utrecht. Daar had hij een baan als treinsmid bij de spoorwegen gevonden. Zijn jongste broer Sjang zou hem in december 1918 volgen, na een jort verblijf in Amsterdam.

Opdeling van het ouderlijk erfgoed zou voor niemand gunstig hebben uitgepakt. Tinus volgde derhalve zijn vader op als smid in Posterholt, terwijl de overige zoons elders de kost gingen verdienen. Maar wel allemaal in het smidsvak. Hun zus Lena vertrok in 1919 naar Roermond.

 

... smid Janssen in Sint-Odiliënberg

Harie Janssen (1880-1948), eigenlijk Martin Hendrik Hubertus, was met zijn vrouw Helena Smeets vlak na zijn huwelijk in april vanuit Posterholt naar Lieck (gemeente Kirchhoven) vertrokken. Harie werkte daar als smid. In Lieck werden hun vier oudste kinderen geboren. Cornelia, Johann, Frens en Wiel. Terug in zijn geboorteplaats probeerde Harie het nog als smid op De Winkel. Maar niet voor lang. In 1917 verhuisde het gezin alweer; dit keer naar Swalmen. Posterholt telde toen genoeg smeden. In het dorp stond ook nog de smidse van Willem Essers en de werkplaats van hoefsmid Peter Thissen, oom van moederszijde.

In Swalmen werkte Harie Janssen als onderhoudsmonteur in de werkplaats van Königs. Niet voor lang overigens, want alweer een jaar later, in oktober 1918 vestigde het gezin zich in Sint-Odilienberg. Nu voorgoed. Daar werd nog hun dochter Mia geboren. Het gezin woonde aanvankelijk boven de Harmoniezaal in de Sint-Odiliastraat. (Nu is dat de Pastoor Siebenstraat.)

Aanvankelijk werkte Harie achter de zaal nog als fietsenmaker, maar het smidsvak zelf heeft hij niet meer uitgeoefend. Nu verdiende hij de kost hoofdzakelijk als onderhoudssmid bij de Stroomtram-maatschappij te Roermond. Daar leerde hij natuurlijk veel bij. Ook nieuwe technieken heeft hij zich toen eigen gemaakt. Dat kwam hem goed van pas. Naast zijn baan sleuteldelde Harie geregeld aan de auto van Verbeek; de eerste vrachtwagen in het dorp. (Zie foto.) En ook doter Meuwissen deed vaker een beroep op hem vanwege zijn (tweedehands) motorfiets.

Verder werd Harie Janssen er bijgehaald, wanneer de "Sjtaum" in Posterholt door een mankement uitviel. Er was toen nauwelijks industrie en al het werk dat maar enigzins met het smidsvak te maken had, werd aangenomen. Ondertussen was het gezin Janssen verhuisd naar de boerderij aan de overkant van de straat. Vooral op aandringen van Johann werd in 1932 door H. Janssen en zonen bij de gemeente een aanvraag ingediend voor de inrichting van "een smederij in hoef- en wagenmakerij". De paardenstal werd toen bij de werkplaats getrokken.

Aan de bouwtekening is tevens te zien, dat de smid naast zijn vak ook nog in de akkerwinning werkte en beesten op stal had staan. Het beroep van dorpssmid evolueerde in die tijd steeds vaker naar dat van bankwerker. In de smidse werd daarvoor een electromotor geplaatst. Terwijl Johann zich op het smidswerk toelegde, waren zijn broers Frens en Wiel in de werkplaats bezig als fietsenmaker (officieel: rijwielhersteller). Laatstgenoemde vertrok eind 1938 naar Roermond. Hij had zijn opleiding gevolgd op de L.T.S. en werkte nadien -in de lijn van de familietraditie- als monteur. In zijn woonkamer koesterde hij nadien nog een uitgebreide verzameling blinkende "luchten", oftewel carbidlampen.

Johan Janssen (1908-1990) bracht zijn gezellenjaren door in Neer en Helden. Net als zijn broers nadien is hij ook bij zijn oom Tinus Janssen in Posterholt in de leer geweest. Daarna begon hij op z'n eigen. Aanvankelijk nog in de werkplaats van zijn vader. Na zijn huwelijk in oktober 1936 met Anna Maria Reinders uit Posterholt vestigde hij zich drie huisnummers verder van de ouderlijke woning. In januari daaropvolgend kreeg hij vergunning om achter zijn huis in de Sint-Odiliastraat een smidse te bouwen.

Deze keer krijgen we meer achtergrondinformatie. De werkplaats had een grootte van 43 M2. In een hoek stond het "smidsvuur" met twee vuurpotten en daarboven de ijzeren kap met pijp, die 1,75 meter boven het dak uitstak en daarop een vonkenvanger. Via een stel buizen werd (middels een electromotor) extra lucht naar het smidsvuur gevoerd. De paarden werden voor het beslaan in de "hoefstal" geleid. Behalve een werkbank aan het raam stond er een boormachine, die middels een tweede electromotor werd aangedreven. Daar stond ook de slijpsteen. De lederen riem liep door de zoldering. (In de oorlog werd daar voor de boeren illegaal lijnolie gemalen.) Ondertussen was de smidse van zijn vader alweer uitgeruimd. De 15-jarige Hendrik Cober uit Thorn kwam hier in de zomer van 1938 werken als smidsknecht. Twee jaar later vertrok de leerjongen naar Swalmen.

Om een karrenrad van een ijzeren band te voorzien, was ruimte nodig. In 'Berg' gebeurde dat in de wei van Hillen. Daarmee begon men al om half zes in de ochtend, omdat enkele uren later de koeien uit de stal werden gehaald en dan moest het karwei geklaard zijn. Het ijzer was tevoren in de smidse al tot een ring gesmeed. In de wei werd het turf in een cirkel opgestapeld en daarop werd de ijzeren ring verhit. De houten wielen lagen niet ver daarvandaan op stenen "muurtjes". Zodra het ijzer heet genoeg was, werd de band met tangen uit het vuur getild en zo snel mogelijk om het wiel gelegd. Het ijzer werd meteen met water afgekoeld, waardoor de band strak om het houten wiel samentrok. Daarna werd het wiel rechtop gezet en het ijzer bijgeklopt. (Op latere leeftijd kon zoon Harie het zich allemaal nog goed herinneren als de dag van gisteren.)

Johann Janssen hertrouwde naderhand nog twee keer. Na het overlijden van zijn moeder kwam Frens bij zijn broer inwonen. Het ouderlijk huis werd omstreeks 1953 afgebroken. Alleen de werkplaats is gebleven, maar heeft een andere functie gekregen. Johann haalde toen wel nog het diploma van rijwielhersteller om als zodanig met Frens de zaak voort te zetten, maar trad spoedig daarop toch als bankwerker in dienst van de Staatsmijnen. En ook hier werd in zekere zin de lijn via zijn zoon doorgegeven, namelijk als leraar metaaltechniek.

 

... Wullem Janssen in het Reutje

Wullem Janssen (1881-1936), geboren als Godefridus Wilhelmus, had voorheen in Neer als smidsknecht gewerkt. In 1910 vertrok hij naar Waldvucht. Vier jaar later keerde hij met vrouw en dochtertje terug vanuit Dusseldorf, waar hij eveneens als smidsgezel werkzaam was geweest. Terug in het dorp verdiende hij de kost voorlopig als arbeider. Willem was getrouwd met Catharina Gijsberts (1880-1929) uit het Berger Reutje. Zijn vrouw ging daar eind 1916 met de twee kinderen wonen: Cornelia *Dusseldorf) en Jean (* Posterholt). Willem zelf volgde pas in mei 1919. (Zowel in Postert als in Sint-Odilienberg staan beide verhuisdata overeenkomstig vermeld.) Vermoedelijk was Catharina haar man vooruit gegaan om haar bejaarde vader te verzorgen.

Toen vast stond, dat de smidse in Posterholt op zijn broer Martin zou overgaan, heeft Wullem Janssen zich definitief in het Reutje gevestigd. Daar werden nog de zoons Willem (*1918) en Harrie (1922-1983) geboren. Na het overlijden van zijn schoonvader ging de boerderij aan de Aerwinkelsweg over op diens zoon Hendrik Gijsberts. Die vertrok in april 1925 naar Sittard. Het gezin Jansen woonde hier dus als huurder. Catharina stierf in september 1929. Nog datzelfde jaar kocht Wullem Janssen het huis van zijn zwager. In 1930 hertrouwde hij met Amalia Machiels (1894-1958), de weduwe Blanck uit Maasniel. Zij zorgde voor het huishouden, terwijl Wullem als bankwerker de kost verdiende. Mogelijk was hij al vanaf 1920 evenals zijn broer Harie als onderhoudsmonteur bij de tramwegmaatschappij werkzaam.

Toen Wullem Janssen in 1932 zijn huis wilde uitbreiden met een paardenstal, werd met de vergunningaanvraag een bouwtekening van het huis bij de gemeente ingediend. Een smidse komt daarop niet voor. Wullem stierf in januari 1938 op vrij jonge leeftijd, nog geen 55 jaar oud. Een maand later keerde de weduwe terug naar de Broekhin. Nauwelijks had zij haar biezen gepakt, of Hendrik Gijsberts, oom van de kinderen Janssen, kwam een dag later vanuit Heerlen naar 't Reutje. Hij bleef hier voor enige tijd, mogelijk om zodoende gemakkelijker de familiezaken te kunnen regelen.

Cornelia Janssen ging in Roermond werken. Haar broer Jean Janssen (1915-1958) trouwde in mei 1937 met Ida Maria Everts. In april 1940 verhuisde de landbouwer met vrouw en dochters naar Posterholt. Naderhand werd hij daar lid van de reservepolitie. Begin 1958 kwam hij door een droevig ongeval om het leven.

Harrie Janssen was met zijn broer mee verhuisd. Hij vond een baan als mijnwerker. Hij trouwde met Gertrudis Everts. Zijn broer Willem was als arbeider aan het Reutje blijven wonen. Hij trouwde in oktober 1940 met Wilhelmina van der Bergh uit Posterholt.

 

... Tinus Janssen te Posterholt

Na het overlijden van zijn vader in juli 1918 nam zoon Tinus (1887-1969) de ouderlijke erfgoederen in Posterholt over. Hij was kort voordien getrouwd met Maria Mechteld Pesgens (1891-1977) uit Susteren. Uit dit huwelijk werden drie dochters en drie zoons geboren. Het huis met de tuin, schuur, stal en werkplaats in het dorp werd gemeten op 13.40 are. De jongens van zijn broer Harie zijn nog bij hem in de leer geweest.

Zoon Wiel kon zich op late leeftijd nog herinneren, dat hij de overgang heeft meegemaakt van de oude blaasbalg naar de electrisch aangedreven ventilatoren en van de handboor naar de boormachine. Het smidsvuur omvatte twee vuurpotten, die samen breed genoeg waren om de ijzeren banden te verhitten alvorens de withete ring om het houten wiel werd gespannen.

De smid van Postert had ook nog enkele akkers aan de Kloutenweg en in het Horsterveld. Evenals zijn vader voordien werkte Tinus Janssen in zijn "vrije" uren op het land. Zijn vrouw hield aan huis een winkeltje in ijzerwaren. Na de oorlog wamen daar nog huishoudelijke artikelen bij. Verderop in de Hoofdstraat had hij nog een huis met tuin, samen nog eens 7.45 are groot. Het pand ging over op hun oudste dochter, getrouwd met Peter Cuipers. Zij dreef hier een kruidenierswinkel.

In 1961 ging het huis met de smederij over op de oudste zoon Chretien Janssen (1920-1983). In feite had hij de smidse al eerder van zijn vader overgenomen. Omdat in voorgaande jaren bij regelmaat grond was afgestaan, was er van de huisplaats nog 7.65 are overgebleven. Oudere gegevens uit het kadaster van Posterholt ontbreken helaas. Desondanks konden we toch achterhalen, dat de huisplaats, thans* Hoofdstraat 93 dezelfde is als de smidse die Martin Thissen van zijn voorganger Jacob Maessen had overgenomen. (*anno 2000)

Chretien had in 1942 zijn diploma van hoefsmid gehaald. Na de oorlog volgde daarop het lerarendiploma. Een aanbod om in de koninklijke stallen te gaan werken, heeft hij afgeslagen.

Sef Janssen (1929-1999) begon een rijwielzaak aan de Heinsbergerweg. Zijn broer Sjang werkte als bankwerker en naderhand als chef van de metaalafdeling in de fabriek. Terijl zijn vrouw in de winkel stond, beijverde Chretien Janssen zich om het vak van hoefsmid aan anderen te leren. Als werkkracht in de landbouw had het paard afgedaan, maar nu zijn het de maneges, die voor hun rijdieren geregeld een beroep doen op de weinig overgebleven hoefsmeden. Jarenlang was de sjmeed van Postert voorzitter van de Bond voor Onderwijzers van Nederlandse Hoefsmeden. verder was hij ook aktief in het verenigingsleven van Posterholt. Vooral omdat hij een grote paardenvriend was, is Chretien zijn leven lang hoefsmid gebleven. Met hem is het smidsvuur gedoofd, dat sedert generaties van vader op zoon werd doorgegeven.

 
 
In deze stamboom kom ik geen smidse tegen, die naderhand tot autogarage werd omgebouwd; wel enkele rijwielzaken. In 1887 vestigde zich zekere Peter Janssen te Merum als hoef- en wagensmid. Zover ik kon nagaan, hoort hij niet in deze stamboom thuis.

Bij de samenstelling van bovenstaande stamboom werd de nodige informatie hoofdzakelijk gehaald uit de diverse gemeentearchieven (Burgerlijkse Stand, Bevolkingsregisters en Kadastrale Legegers) tot globaal 1940. Ook uit de Memories van Successie tot 1926 kon veel opgediept worden. Latere gegevens komen o.a. uit de verzameling bidprentjes van de Heemkundevereniging Roerstreek en van de aantekeningen uit krantenberichten, gelezen door H.V.R. museumbeheerder Jo Smeets. Dhr. H. Hansen uit Posterholt verschafte mij de gegeves uit het parochie-archief van karken. Van het echtpaar H. Janssen-Hannen, mevrouw Janssen-Claessen en dhr. W. Janssen kreeg ik familiegegevens en foto's. H.V.R.-lid Ton Wolswijk verstrekte uitgebreid illustratiemateriaal en notities. Tevens waren dhr. J. Mestrom, dhr. J. Veelen en dhr. H. Wilbers zo vriendelijk mij uit hun aantekeningen aanvullende informatie aan te reiken. Aan allen mijn hartelijke dank. (Bovenstaand artikel is eerder gepubliceer in Jaarboek 2000 van de H.V.R.)