Lintjeshof Gebroek

Laatst bijgewerkt: 21-06-2014 © Jan Ruiten

LINTJESHOF AAN HET GEBROEK

De pachtboerderij aan het Nielder Broek was gedurende meerdere generaties in handen van een Roermondse burgerfamilie, waar de hoeve ook naar vernoemd is. Daarvoor werd de bouwhof ook wel jonker Hillenhof genoemd. De geschiedenis van Lintjeshof staat beschreven in het boek "Onder den Klockenslagh". (Zie website maasniel.nl) Soms duiken er weer nieuwe gegevens op over de boerderij of de eigenaars, zoals in dit geval.

Advocaat Jan Baptist Lindtgens en zijn vrouw waren rijkelijk gegoed in de omgeving van Roermond, maar ook in en om Venlo hadden zij enkele goederen. Een groot deel van deze bezittingen werden door Anna Christina van Hillen mee in het huwelijk gebracht. Het echtpaar kreeg tussen 1664 en 1686 twaalf kinderen, waaronder een tweeling. Lintjeshof te Maasniel ging bij de erfdeling in september 1706 over op hun dochter Agnes Margareta Lindtgen (1674-1713). Zelf sprak de familie over de boerderij op het Broek buiten de stad. Het duurde nog enige tijd vooraleer Agnes haar toekomstige man leerde kennen. Deze Joannes Theodorus deVooght was een afstammeling uit een oud geslacht van jonkers in de Haspengouw. Toen hij voor zaken in Roermond verbleef, maakte hij kennis met de juffrouw. Zelf was hij toen weduwnaar, zoals hij haar vertelde, en dus vrij man om te hertrouwen. Zijn vrouw was vier jaar daarvoor gestorven in de Dauphiné, Zuid-Frankrijk. Wanneer en hoe, dat wist de jonker zelf ook niet, maar hij had het van betrouwbare getuigenis vernomen, beweerde hij.

Een tamelijk vreemd verhaal en de familie Lintgens geloofde er niets van. Zij verdachten de jonker ervan dat hij meer uit was op een amoureus avontuurtje, dan op een serieuze verbintenis. Tussen de twee geliefden was het echter dik aan. Beiden waren van plan nog datzelfde jaar in Roermond te gaan trouwen. Hun huwelijksplannen werden echter gedwarsboomd door de familie van de aanstaande bruid.

Haar broer en zwagers namen contact op met de bisschop met het dringende verzoek om het stel geen vrijbrief te geven om te trouwen. Agnes Lintgens en haar jonker verlieten de stad en verbleven korte tijd op haar hoeve op het Gebroek. Maasniel viel immers, evenals Herten en de buurtschap Roer, nog steeds onder het bisdom Luik.

Op de boerderij maakte het stel plannen om dan maar af te reizen naar Oelenbeek, de geboorteplaats van jonker deVooght, en spoedig daarop reisden de trouwlustigen af naar de Haspengouw. De pastoor van Oelenbeek (Nu: Ulbeek, gemeente Wellen.) zond meteen een schrijven naar de bisschop van Luik, dat de a.s. bruidegom weduwnaar was uit een eerder huwelijk en dat er verder geen bezwaren waren tegen een echtverbintenis. Aldus het verhaal van de jonker.

Twee weken na hun aankomst trouwden jonker Joannes Th. deVooght en juffrouw Agnes M. Lyntgens voor de pastoor van Ulbeek. In de veronderstelling, dat zij in de echt verbonden waren als man en vrouw, reisde het stel in september terug naar Roermond. Agnes had hier nog zaken te regelen, o.a. in verband met haar erfgoederen.
Tekening van Lintjeshof uit het keurmedenboek van Daelenbroek (RHCL te Maastricht 01.006: inv.nr. 77.)

Haar erfdeel bestond in een pachthoeve op het Nielder Broek buiten de stad, met 66 morgen akker- en weilanden, een moeshof aan de Godsweerd, een erfpacht van 7 malder rogge en een half pond peper ten laste van de Munsterabdij, een erfcijns van 2 kapoenen of 15 stuiv ers uit een stuk land in het Roermondse veld. Dit erfdeel droeg tevens de last van twee kapitalen, te weten 400 pattacons bij dhr. Vernick van Thoor en 200 pattacons bij dhr. advocaat Cronenbroeck. (GAR: archief Dalenbroek, inv.nr. 579, processen.)

 

een kwestie van veelwijverij?

Het kersverse echtpaar verbleef enkele dagen in het klooster Godsweerd en daarna namen zij hun intrek in herberg De Keizer. Hun aanwezigheid in de bisschopsstad bleef niet onopgemerkt. Zijne Hoghweerdigheid werd meteen op de hoogte gesteld. Nog diezelfde maand september 1712 werden beiden, afzonderlijk van elkaar, voor de kerkelijke rechtbank, het officialaat, gedaagd en verhoord.

Ondertussen had het stel opnieuw zijn intrek genomen "op haer goedt aen het broeck" buiten de stad. Daar werden door de bode van het geestelijk hof de citaties afgegeven, om voor de kerkelijke rechtbank te verschijnen. Van deze oproepen werd een afschrift bevestigd op de poort van de bisschopshof in de stad en een op de kerkdeur van de Kapel int Zand.

In de stukken werd Agnes konsekwent met domicella, juffrouw, aangesproken. Haar jonker kon beweren wat hij wilde, maar de clerus in Roermond geloofde niets van zijn praatjes. Die werd hierbij vooral aangezet door de familie Lindtgens, die nog steeds niets van dit schijnhuwelijk wilden weten.

In Roermond nam men de zaak hoog op. Het bisdom was nog steeds van mening, dat deVooght met zijn eerste vrouw was getrouwd. Het zogenaamde huwelijk te Oelenbeek was niet geldig. In eerste instantie was het zelfs Agnes die werd aangeklaagd, omdat zij gemeenschap had met een gehuwd man.

Zowel Agnes als haar man waren zich van geen kwaad bewust. Beiden getuigden dat zij inderdaad samenleefden als man en vrouw. Agnes legde volledige getuigenis af. Zij had immers niets te verbergen. In tegendeel, zij geloofde haar echtgenoot op zijn woord. Jonker deVooght vroeg zich hardop af, waar men zich in Roermond zo druk om maakte. Zij waren geen ingezetenen van deze stad of dit bisdom, maar enkel passanten die hier hun zaken kwamen regelen. Maar hoezeer deze ook tegenover de geestelijke heren beweerde, dat zijn eerste vrouw al sedert enkele jaren gestorven en begraven was, en beiden vervolgens met een losbrief vanuit Luik waren getrouwd, de kerkelijke rechters waren niet te overtuigen.

Uiteindelijk moest er een notariële akte dd. 5 februari 1713 vanuit Hoepertingen aan te pas komen, om het verhaal van jonker deVooght te bevestigen.

Onder "mannen-waarheid" getuigden de officieren Adolphus Tackoen en jonker Nicolaus deVocht, dat zei van jonker Jacobus Christoffel deVocht, kapitein in het regiment van Brabant, in dienst van Z.M. de koning van Frankrijk, in maart voorleden jaar in Ulbeek was aangekomen en thuis op zijn kasteel in hun aanwezigheid had verklaard, dat vrouwe Thérèse d'Oubiniez was gestorven te Die in de Dauphiné. Zij waren zelfs bereid om dit onder ede te bevestigen. In beide getuigen herkennen we de stiefvader en de broer van Johan Th. de Voght. (RHCL te Maastricht 14.A002C: archief Officialaat bisdom Roermond, processen, nr. 214.1260.)





























strijd om de nalatenschap

De erfgenamen Lindtgens spanden voor het Hof van Gelder een proces aan tegen jonker deVooght en zijn vrouw. Gezien de bevindingen van de kerkelijke rechtbank, en nog steeds ongewis over het huwelijk van hun zuster, verzochten zij begin december 1712 het Hof om beslag te leggen op de boerderij en de goederen, totdat het huwelijk was goedgekeurd en Agnes haar aandeel in de schulden had afgelost. De bouwhof aan het Gebroek met 66 morgen land en weiden, was het hoofdbestand van haar erfdeel.

Het echtpaar deVooght-Lintgens reisde af naar Ulbeek en nam intrek op hun familiegoed Trockaert. Maar een lang huwelijksgeluk was hen niet gegund. Agnes Lindtgens stierf nog binnen een jaar, in mei 1713 zonder lijfserven na te laten.

Meteen daarna, begin juni liet het Hof middels de schout van Maasniel, beslag leggen op alle koebeesten, vruchten en andere zaken betreffend de nalatenschap van Agnes Lindtgens. Aan het klooster MariaWee werd gelast om de papieren, effecten e.d aan niemand af te geven. De Munsterabdij kreeg eenzelfde opdracht. Het klooster betaalde uit haar boerderij te Asenray namelijk een erfrente van

Ondertussen bemerkte jonker deVocht, dat hij hier voorlopig niets kon uitrichten en verliet de stad richting zijn woonplaats. Al een week later zou hij zich ophouden op zijn boerderij op het Gebroek. De de bode van het Hof daar aankwam, liet de pachter weten, dat de jonker en diens broer naar een herberg aan de Kapel waren gaan drinken.

Later die dag keerden de twee broers terug naar het Gebroek, waar de bode nog op hem zat te wachten met het slechte nieuws. Johan de Vocht ontstak in woede en beet hem toe: "Ick sal digh hondert stockslaghen geven!" De jonker trok zijn rapier om de daad bij het woord te voegen en sloeg op de bode in, waarbij hij de overheidsdienaar danig had affgepreugelt. Deze sloeg ijlings op de vlucht om erger te voorkomen. Het werd de jonker zwaar aangerekend, dat hij tekeer was gegaan tegen een dienaar van het Hof, die duidelijk als zodanig te herkennen was aan het wapen of schild van de hertog van Gelder dat de bode op zijn kleding droeg.

Naderhand had Johan deVooghd een oproep om voor het Hof te verschijnen, per ommegaande teruggestuurd in een couvert met daarin "vier carte boeren", als een teken van zijn minachting (vuijterste versmaedelijckheijt) jegens het Hof en de erfgenamen Lintgens, die hij tevens liet weten, dat hij het zo zou regelen dat sij niet meer soude derven op de straete commen.

Johan Theodor deVocht zag zichzelf als erfgenaam van zijn overleden vrouw. Op de pachthof aan het Broek gedroeg hij zich als heer en meester van de boerderij, waar hij toen verbleef. Het moet hem ondertussen alsnog gelukt zijn om de beesten van de hof te halen en te gelde te maken.

De diverse processen tegen jonker deVocht sleepten door. Johan Theodoor trok zich weinig aan van de drukte in Roermond. Vanuit de bisschopsstad bleef men oproepen sturen per post naar Sint-Truijden, om zijn zaak voor het Hof te komen bepleiten en anders zich tot een "eeuwig stilzwijgen" neer te leggen bij de uitspraken van het gerecht. Ook een bericht naar notaris Kickens in Maastricht weigerde de jonker aan te nemen. Hij zou zich niets van het vonnis aantrekken en weigerde de brief te lezen.

Wat zou de reden geweest zijn van dit bezoek aan Maastricht? Een blik in de kerkregisters van de parochie van St. Jacob geeft het antwoord. Jonker Johan Th. deVooght was daar in maart 1714 voor de eerwaarde heer Van der Meer, hulppastoor (deservitoris) te Ulbeeck, in de echt verbonden met Catharina Linckens in het bijzijn van twee getuigen. Mogelijk de toen 26-jarige dochter van Otto Lynckens en Odilia Hocquery. (De notaris vermeldde dat de jonker toen logeerde in het huis van apotheker Linckens).

Naderhand bracht het stel een bezoek aan Lintgenshof aan het Gebroek. Als weduwnaar van Agnes Lintgens, beschouwde de jonker zich als heer en meester van de pachthof. Naderhand werd door het Hof beslag gelegd op het kindsdeel van de jonker in de goederen van zijn moeder hier ten lande, o.a. te Stevensweert en Maasbracht, om daarop de proceskosten te verhalen. Gerardt Reutsen uit Roer haastte zich bij het Hof te melden, met het verzoek om het Meulenbroexke aan de Hambeek, zo'n 5 morgen groot, buiten dit arrest te houden. Hij had het grasland twee jaar eerder van de weduwe gekocht.

Meer en meer krijgen we een duidelijker beeld van de persoon achter de naam deVooght. De jonker was geen vreemde in deze streek. Hij was namelijk een zoon van Laurent Th. deVocht die in 1679 was getrouwd met Eva Sybilla van Aerdt uit Lottum. Zijn moeder was een telg uit de familie de Puytlinck uit Roermond, die op hun beurt ook banden had met families in het land van Luik. Na het overlijden van haar man omstreeks 1700, was de weduwe hertrouwd met Egidius Adolphus Tackoen. Uit haar eerste huwelijk waren omstreeks 1712 naast genoemde zoons nog in leven haar derde zoon Ludovicus deVocht en haar dochter Maria Sibilla, in huwelijk met Jean Charles van der Noot. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder te Roermond, inv.nrs. 405-3956 en 407-4009.)


Over de familie Puytlinck en van Aerdt, zie ook de pagina's over de Hobertshof te Linne en Jongenhof te Lerop, elders op deze website.

Jan Homs, halfwinner

Midden augustus 1714 kreeg de pachter van Lintjeshof onverwacht bezoek. Het was jonker deVooght, weduwnaar van Agnes Lintgens, ondertussen hertrouwd met Catharina Linckens uit Maastricht. Homs en zijn vrouw woonden nog niet zo lang op de boerderij. Zij hadden met de erfgenamen Lindtgens in februari een pachtcontract afgesloten en nu kwam jonker deVooght opdagen, die op brute wijze tekeer ging. De man gooide een deel van het meubilair naar buiten en vertoefde ongenodigd in de woning van de pachter. Ook haalde hij uit de moestuin wat naar zijn gading was en ging hij uit rijden met het paard van de pachter. Alles uit pure moedwil om te laten zien, dat hij nog steeds heer en meester was op zijn boerderij.

De halfwinner en zijn vrouw wisten niet wat hen overkwam. De jonker eiste, dat de pachter de boerderij zou verlaten, omdat hij hier niet thuis hoorde. Dat het echtpaar met de erfgenamen Lindtgens een pachtovereenkomst had afgesloten, interesseerde hem niet. Weldra liet deVooght de koebeesten van de hof halen om te verkopen.

Diezelfde dag deed de pachter zijn beklag op het geding van Maasniel over het onbehouwen optreden van de jonker. Deze eiste op zijn beurt, dat het echtpaar Homs werd gelast om van de boerderij te vertrekken met achterlating van alle spullen die zij op de pachthof hadden aangetrokken, op straffe van 25 goudguldens.

Jonker Johan deVooght was van mening, dat hij als weduwnaar het tochtrecht en bezit van de boerderij genoot, zolang hij leefde. De erfgenamen Lindtgens stelden echter, dat het huwelijk met Agnes ongeldig was, omdat deVooght onvoldoende had kunnen bewijzen dat zijn eerste vrouw toen werkelijk was overleden. De zaak speelde zowel voor de schepenbank van Maasniel, wegens de klacht van de halfwinner, als ook voor het Hof van Gelder te Roermond op instantie van de familie Lindtgens.

Jonker deVooght verbleef met zijn vrouw nog wel enige tijd op de boerderij, ondanks het bevel van het Hof begin september 1714 om het huis onmiddelijk over te laten aan de pachter en zijn gezin. Jan Homs zou dan minstens tot Pasen op de boerderij blijven, hangende het proces.

De bode van Maasniel liet de pachter weten, dat hij zich met recht teweer moest stellen, mocht de jonker hem opnieuw lastig vallen of proberen om de beesten van de boerderij te halen. Desnoods diende hij de hulp van zijn naaste buren in te roepen. De naburen kregen te horen, dat zij Jan Homs te hulp moesten schieten, indien deze er om vroeg, op straffe van 3 goudgulden bij nalatigheid.

De stukken werden in december 1714 overgedragen aan het Hof te Roermond, dat zich verder over de zaak boog. Ondertussen had Johan deVoght zich met zijn vrouw teruggetrokken op zijn kasteel Trockaert te Ulbeek. Op de herhaalde verzoeken van het Hof, om zijn zaak te komen bepleiten, reageerde hij niet meer. (GAR: archief Dalenbroek, inv.nr. 579, processen.)

Nadat beslag was gelegd op de goederen van jonker deVoght om daarop te verhalen de gemaakte kosten van het proces, besloot het Hof uiteindelijk in september 1715 de halfman hieruit met 25 gulden te vergoeden. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 409-4081.)


Briefomslag anno 1714 aan dhr. Vooght op het huis Trockaert te Ulbeck, postkantoor St. Truijden.

 

uit de pachtovereenkomst

De pachter zal voldoende personeel in dienst nemen, zoals een akker- of paardenknecht, een scheper, sweyn (varkenshoeder), en meid. Hij mag geen land aan anderen verhuren, maar het zelf bemesten inzaaien en bebouwen, alles op eigen kosten. Het land aan Hertepael en enig broekland zou hij met weit of wintergerst inzaaien. Verder had hij zo'n 20 morgen land in het Nielder als Roermondse veld, de akker bij Kloostershof en de graslanden te Leeuwen.

Tot zijn werkzaamheden behoorde ook het schoonhouden van de beek en de grachten, minimaal twee keer per jaar.

De paarden, koeien, schapen en varkens zou de heerschap met zijn pachter half om half delen, waaronder 8 tot 10 melkgevende koeien en zeker drie kalveren om te verkopen. De pachter zal 2 kremen houden om daarvan jaarlijks 8 tot 10 baggen te trekken. Voor elke kreem krijgt hij vier vat half gerst, half boekweit. Hij mag 5 morgen middel-land gebruiken tot voedergewassen gebruiken en met klee bezaaien. Voorlopig zal hiertoe de oude boomgaard dienen.

De beestenschat zal door beide partijen gelijk gedragen worden. De landschat zal de heerschap voor zijn rekening nemen. Op de Roermondse kermis zal de pachter een vet kalf leveren. Bij het schaapscheren mag de heer een keur-hamel en lam mogen kiezen en 3 koppels jonge hanen.

De mouren en het vlas zouden half om half gedeeld worden, terwijl de boomvruchten aan de heerschap toekwamen.

Bij werkzaamheden, zoals het scheren van de schapen en het dorsen zou de halfman een halve ahme bier leveren voor de werklieden. Hij zal elk jaar 400 schoven leveren tot onderhoud van de behuizing en de dakdekker van kost en drank voorzien. Verder zal hij de wanden van de gehuchten onderhouden. Het loon voor de arbeiders kwam in de meeste gevallen ten koste van de heerschap.

Het toppen van de wilgen en het snoeien der elsen mag hij alleen doen na overleg met de heerschap, om het hout voor bonenstaken te gebruiken.

De moeshof naast het huis, vanaf de varkensstal aan de straatzijde langs de schuur tot aan de heg, bleef ten dienste van de verpachter. De halfman zou de moeshof jaarlijks bemesten, uytkerre gout mist.

Bij het verlaten van de hof, mag de pachter geen mest, stro of assen van de hof vervoeren, en 15 morgen land braak laten liggen voor zijn opvolger. (GAR: archief Dalenbroek, inv.nr. 579, processen.)