............ Brugstraat 7


Het gotische huis in de Brugstraat, dat nog altijd wordt verwisseld met het huis De Kar.

Laatst gewijzigd: 30-11-2018 © Jan Ruiten

HET GOTISCHE HUIS
Het Eenhoorn v/h Het Witte Peerdt
Brugstraat 7

Het zogenaamde gotische huis in de Brugstraat (nr. 7) kent een andere voorgeschiedenis dan tot dusver werd aangenomen. Het pand is niet identiek met herberg In De Karre, twee huizen verderop. De eigenaars van laatstgenoemd huis hebben ook nooit belangen gehad in het stenen huis dat in gotische stijl was opgericht. Het verhaal is terug te volgen tot in de tweede helft van de 16e eeuw. De bouwheer die het huis na de eerste stadsbrand van 1554 nieuw heeft laten optimmeren, was waarschijnlijk burgemeester Claes Martels, die daar ook gewoond heeft.

Niet Jan van Loesen, herbergier in De Karre, was de eigenaar van het tegenwoordige pand Brugstraat nr. 7. En evenmin zijn vader Leonard Loosen voordien. Zij woonden twee huizen verderop richting Brugpoort. In 1600 werd Merten Martels genoemd als eigenaar van de koopmanswoning, die tegenwoordig vanwege zijn bouwstijl ook wel het gotische huis genoemd wordt. Het pand grensde tussen enerzijds de poortweg van Richard Stijns' woning in de Neerstraat (1590), die het huis uit erfenis van zijn schoonvader Derick Koicx had verworven, en aan de andere kant het huis van de familie Vorsterman.

Bij de juiste situering van het pand kan men licht op het verkeerde spoor worden gebracht. De naam Vorsterman als ook Koicx was verbonden aan meer dan een pand in de Brugstraat. En zo had ook Merten Martels meerdere huizen in de stad, afkomstig van zijn ouders. Hij zal net als zijn vader voordien het pand in de Brugstraat tot zijn woonhuis hebben verkozen.

Nieuw onderzoek resulteerde in een grotendeels andere lijn van elkaar opvolgende eigenaars van na de eerste stadsbrand tot 1800, dan tot nu werd aangehouden. Van daaraf is de bewoningsgeschiedenis al langer bekend. Tevens doken bij dit onderzoek twee huisnamen op, die dan weer wel rechtstreeks met het gotische huis verbonden zijn geweest, ook al was het voor een korte tijd.

Merten Martels en Gudele Nyckels...

In 1591 worden Merten Martels en vrouw Guedele Nyckels genoemd in verband met een huis op de Berg(straat), dat zij vijf jaar later, in oktober 1596 voor 370 gulden verkopen aan Johan van der Neuwerstadt en Naelken Speertz. Het is niet het enige huis, dat dan op naam staat van het echtpaar Martels. Enkele jaren later in september 1600 wordt Martels genoemd met betrekking tot een huis in de Brugstraat. (Hoofdgerecht 312-f.51 en f.100.)

"Marten Martels Gudele sijn husfrau Anno 1582" Het paar trouwde in 1582. Dat blijkt uit de glasscherven die samen deel uitmaken van een huwelijksruitje (8.5 x 13,5 cm.), afkomstig uit de glasvondst van 2009. Uit de duizenden scherven konden deze acht stukjes weer aan elkaar geschoven worden. (Met dank aan Gerard van de Garde, werkgroep glasvondst in kwartier Damianus te Roermond.)

Het is ondertussen duidelijk dat Merten het huis heeft verworven uit erfenis van zijn vader, burgemeester Claes Martels. Een eventuele aankoop van het huis komt in het gichtboek van de stad niet voor. Ook via de toenmalige buren was de voorgeschiedenis van het huis niet te achterhalen. Het echtpaar Martels bezat verder nog een huis in de Neerstraat, tegenover de Brugstraat, en een huis op de Berg, voorheen eveneens op naam van Claes Martels en vrouw Griete. Vóór maart 1560 hertrouwde burgemeester Martels met Adriana Cruyders. Of we Merten Martels vervolgens onder de voor- of nakinderen moeten rekenen, is niet duidelijk. (HGR. 312-f.142.)

"...inderhandt verhelickt is aen eenen gnt. Aret, wesende indertijt knecht bij Claes Martels in de Brugstraett..."

Dat het huis in de Brugstraat van zijn ouders afkomstig was, blijkt uit een kort tussenzinnetje in een getuigenverklaring uit 1610. Het betreft uitspraken over een periode van decennia terug. Toen zou zekere Aret van Diepenbeek, nog jonggezel, als knecht gewerkt hebben bij Claes Martels in de Brugstraat. (HGR. inv.nr. 380 attesten, blad 1/1.)

In de overdrachten wordt Claes Martels voor het eerst in 1555 genoemd, een jaar na de stadsbrand. Hij komt het meest als bouwheer van het gotische huis in aanmerking, dan wel zijn vader Jan Martels. Beiden onder voorbehoud, want een schriftelijke getuigenis daarvoor is er niet.

Met die uitspraak zijn we een generatie verder terug in de tijd beland, wanneer de bewoners van o.a. de Brugstraat hun huis en goed in vlammen zagen opgaan. Voor en na lukte het hen om hun woningen nieuw op te timmeren.

Merten was geregeld onderweg. In november 1602 werd een regeling getroffen tussen Dederich Roijen enerzijds en de erfgenamen Bordels, vanwege hun broer Johan Bordels zlgr. anderzijds. Beide kooplieden waren een mackerschaft aangegaan, om samen handel te drijven. Zo had Merten Martels in hun opdracht 17 voeder wijn van Keulen naar Dordrecht gevaren. Daar had Derick Roijen al flink wat geld ingestoken, terwijl het aandeel van zijn overleden compagnon op zich liet wachten. (Hoofdgerecht 312-f.135.)

Een andere keer was Merten Martels uitlandig, namelijk bij de overdracht van het huis van de familie Vorsterman. De koop tussen beide buren was al gesloten, maar de overdracht door de schout moest nog plaatsvinden. Derhalve zou Hieronimus Meuwis alias Wolfskeel bij de gerechtelijke overdracht namens Martels aanwezig zijn. Anderhalf jaar later droeg Meuwissen het huis over aan Philip Soetermans van Ophoven. Naderhand stond dit pand bekend onder het teken van De Helm. (Hoofdgerecht 312-f.159.)

Verder kennen we Merten Martels als mede-eigenaar van de Hellmolen. De Bordels- en Martelsmolen wordt ook genoemd in de Donderdags-protocollen van de Magistraat. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 106-68.)

Vanaf 1613 trad Gudele Nyckels, de weduwe Martels, geregeld op om de zaken te regelen. Eind januari verstrekte zij een lening van 1200 gulden aan molenaar Joost Scheijven, waartoe deze de volmolen op de Roer tot onderpand inzette. Twee maanden later verkocht Gerardt Martels, inwoner van de stad Munster, al zijn rechten in de ouderlijke erfgoederen en inkomsten, binnen en buiten Roermond, aan zijn (stief)moeder. (Hoofdgerecht 313-f.126, f.159 en f.199.)

de gerechtsbode Johan Scherpkens...

In september 1619 verkopen Joes Hasius, doctor in de rechten, en zijn vrouw Margareta Martels hun huis in de Brugstraat voor 1700 gulden aan Johan Scherpkens en vrouw. Als buren worden genoemd Richardt Stijns en Philips van Ophoven. (Hoofdgerecht 313-f.291.)

Johan Scherpkens was in die jaren in dienst als gerechtsbode van de stad. Geen onverdienstelijk beroep, zoals blijkt. In maart 1600 kochten Scherpkens en zijn vrouw Jeliske voor 1000 gulden het halve huis Den Gulden Appel op de Steenweg. Ruim een jaar later verkopen zij het huis alweer voor 1200 gulden. Naderhand blijkt, dat zij nog een huis aan minderbroeders hadden, een huis met steenweg, moeshof en stalling naast het nieuwe clarissen-klooster dat de zusters er hadden laten timmeren. Het huis van Scherpkens werd daar aan toegevoegd. (Hoofdgerecht 312-f.93 en f.109.)

 

Johan Scherpkens was gehuwd met Gelisken van Houtem. De vrouw wordt in de diverse stukken wisselend Gelisken en dan weer Nelisken genoemd. Hetzelfde zien we in de twee processen tegen de zonen van wijlen Frederick Raemakers, die in eerste huwelijk getrouwd was geweest met Merrij van Houtem, tante van Gelisken. (GAR, Hoofdgerecht inv.nrs 124-599 en 127-645, over de jaren 1623 tot 1629 toe.)

In september 1618 doet Scherpkens een bod op het huis De Vier Heemskinderen aan de Markt. Het huis wordt echter door Dirck van den Eertwech, zoon van Marie in De Karre, als buurman beschud. Het jaar daarop verwerven Johan Scherpkens en Neliske(!) met succes het huis in de Brugstraat, voor 1700 gulden. (Hoofdgerecht 313-f.274.)

Enkele keren gaf het echtpaar ook een geldlening uit aan medeburgers ten bedrage van 100 gulden. In 1624 verkochten zij een dergelijke zegelbrief verder door. Een jaar later, in mei 1625 verkocht Johan Scherpkens hun huis in de Brugstraat voor 1900 gulden aan Henrick Kindt en vrouw. (Hoofdgerecht 314-f.122.)

 



|_____
Een waterbrief is een akte van overdracht of belening betreffende schepen. (In de Franstalige stukken hadden ze er geen eigen woord voor.)

maasschipper Hendrick Kindt...

Hendrick Janssen-Kindt was een zoon van Johan Kintkens en Alitgen. Hij was in eerste huwelijk getrouwd met Stijncken Moetsen, alias Willems. Uit dit eerste huwelijk zijn vijf kinderen bekend, waarvan we alleen Anna, de oudste, naderhand nog tegenkomen. Hendrick Kindt was marktschipper van beroep; midden jaren twintig in dienst van de stad. In december 1633 verkochten Kindt en Dierick Melsser aan Johan Witlo, maasschipper uit Luik een zogenaamde hoegardt, compleet met mast en spriet, maar zonder de takels van de mast, schrot en geerden. De boot had voorheen dienst gedaan als marktschip van Roermond en werd aan Witlo verkocht voor 887 gulden en twee tonnen goed Luiks bier. (GAR, Hoofdgerecht 315-f.75.)
Links het huismerk op de sluitsteen anno 1628. (Overgenomen uit het artikel 'Het gotische huis in de Brugstraat te Roermond' van toenmalig gemeente-archivaris M. Smeets in De Maasgouw 1943-2.)

In januuari 1617 verkocht Bertrand Donneau uit la bonne ville de Visé-sur-Meuse een Maaseiks paadschip aan zekere Piron BlanJean alias Lamée. Voor de afbetaling van de koopsom stelde Lamée een zogenaamde waterbrief met als onderpand genoemd paadschip. Toen hij de aflossing niet rond kreeg, heeft hij het schip doorverkocht, samen met het getouw, de vorken, een eest en de opstaande mast (flackflack) voor 415 gulden en met de last van de waterbrief. De kopers waren twee burgers uit Roermond, Guerdt Boyen en Hendrick Kindt. Hoewel zij de eerste aanbetaling meteen bij de aankoop hadden voldaan, bleven zij de rest van de koopsom schuldig, ook na herhaalde verzoeken van Donneau. Uiteindelijk zag deze zich genoodzaakt om beiden voor het gerecht te dagen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 120-494.)

Hendrick trouwde (omstreeks 1635) in tweede huwelijk met Gertruijdt Raemaeckers. Uit dit tweede huwelijk volgde nog zijn na-dochter Johanna Kindt. Hendrick stierf omstreeks de jaarwisseling van 1645 en 1646. De weduwe Kindt behield in elk geval het tochtrecht van het huis in de Brugstraat. Bereids in juli van dat jaar meldden zich schoonzoon Johan Fredenrijck en dochter Anna Kindt. Zij verkochten aan Gertruijdt hun derde deel in het koopmans huis, gelegen tussen de woningen van Jan Mans en Philips Soetermans, alias van Ophoven. (Hoofdgerecht 316-f.46.)

Gertruij Raemaeckers overleefde haar man vele jaren en bleef actief in het leven staan. Dat blijkt ook uit de akten, waarin zij niet alleen als de weduwe Kindt, maar met haar eigen naam genoemd wordt. De handel en wandel was immers een mannenzaak. Ook nadat haar dochter Johanna getrouwd was, leunde zij niet op de diensten van haar schoonzoon, niet in zaken en niet in rechten.

Gertruij (1609-1689) was enig nagebleven kind van Johan Raemekers en Jehenne Wolffs. Haar ouders kochten in 1624 een huis nabij de Zoutmarkt, naast het huis De Beer van Johan Behren zlgr. Een halve eeuw later, in juli 1678 wordt het huis verkocht door haar schoonzoon en dochter. (Hoofdgerecht 314-f.74 en f.128 en 318-f.155.)

Uit het volgende mag blijken, dat de weduwe Kindt nog actief in het (handels)leven stond als leverancier in wijnen. Toen zij na herhaaldelijk aandringen, van haar buurman, herbergier in De Helm, nog steeds geen betaling voor geleverde waren kreeg, zocht zij de rechtsgang. In 1653 liet Gertruij beslag leggen op het huis De Helm van Andrees Soetermans. In twee leveringen had zij 15 oxhoofden Franse wijn bij hem laten afleveren, ten bedrage van 225 rijksdaalders.

De opgelopen schuld resulteerde uiteindelijk in beslaglegging op het huis van Soetermans. In oktober 1654 werd De Helm bij opbod met de kaars verkocht. Als laatste hoger verwierf Jan van Loosen het huis van zijn buurman. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 137-916.)

Ook de weduwe van jonker Baexen tot Euffelt had nog openstaande rekeningen te betalen, resp. van 332 gulden en van 84 gulden wegens geleverde waren uit 1676 en volgende jaren. De eerste rekening behield goederen als zout, suiker, beschuit, kaas, stokvis en (Amsterdamse) zeep. De andere rekening gold diverse geleverde stoffen, lakens en opengewerkt passement met schouderstrik. Om alsnog aan haar geld te komen, verzocht Gertruijdt Raeijmaeckers bij het Hof van Gelder om beslag te leggen op de goederen van de overleden jonker te Vlodrop. (RHCL te Maastricht, 01.004 archief Hof van Gelder Roermond, inv.nr. 348-1878.)

Ook graaf Hendrick de Pas en de douariere van wijlen graaf Herman van den Bergh, vrouwe tot St. Stevensweert, behoorden tot haar klantenkring, getuige de onbetaalde rekeningen die de weduwe Kindt nog te vorderen had.

In 1678 liet de weduwe Kindt eveneens beslag leggen op een huis in de Neerstraat wegens een openstaande schuld. En zo waren er nog enkele zaken wegens onbetaalde rekeningen. Uiterlijk vanaf 1680 heeft de weduwe Kindt haar huis in de Brugstraat verhuurd. Maar het kan zijn, dat zij al eerder bij haar dochter in huis is gaan wonen. Joanna Kindt was getrouwd met Johan Arensbergh uit Amsterdam.

Een visitatielijst, opgemaakt omstreeks 1677, noemt hier Geertruidt Ramaeckers, als de hoofdbewoonster en verder inwonend haar dochter met een kind en een meid. De weduwe Kindt verdiende de kost als koopvrouw (lees: winkelierster). Het pand kende een groot voorhuis (winkel) en vervolgens een keuken met achterkeuken. Op de begane grond werd verder alleen nog een kleine kamer met schouw genoteerd. Op de tussenverdieping waren twee hangkamers, waarvan een met schouw. Daarboven waren nog twee zolders. Overige vermeldingen, zoals achterplaats en schuur, komen in de beschrijving van dit pand niet voor. (OAR inv.nr. 965.)

Het huisje links ernaast werd bewoond door Jan Mans, die er een klein winkeltje dreef. Hij woonde daar met zijn vrouw, een student en nog een oude vrouw. Achter het winkeltje was een kleine keuken, en boven enkel een kleine tussenkamer. Daarboven nog een zolder. (GAR, Oud-Archief inv.nr.965, visitatie van huizen ca.1677.)

Het huis van Gertruijt Ramaeckers, wordt nog in juli 1687 zijdelings genoemd bij de opdeling van het huis De Helm. Het deel naast de weduwe Kindt valt dan toe aan Marie, nadochter van Leonart van Loosen en Helena Bontius. Naderhand zal de jongevrouw trouwen met Francis Ophoven. (Hoofdgerecht 319-f.291.)

 

de familie Arensbergh...

Gertrudis Kindt(!) stierf begin december 1689 na een ziekbed van twee jaar. Kort nadien gaat de volle eigendom van het huis over op haar dochter Johanna Kindt, in huwelijk met peiburgemeester Johan van Arensberg. Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen bekend, allen geboren in de jaren '60 van die eeuw: Maria Gertrudis (1661), Mechtildis (1663), Hendricus (1664) en Joannes Ignatius (1668). Onder de doopgetuigen komen we o.a. tegen Joes Janssens van Arensbergh, Maria en Jacob Arensbergh (resp. 1663 en 1664), en Gertrudis Raymaekers (1661 en 1663), ons ook wel bekend als de weduwe Kindt in de Brugstraat. (Geboorte- en huwelijksdatum van Johanna Kindt niet gevonden in kerkregisters van Roermond. Uit het hiernavolgende proces blijkt, dat zij wel uit het tweede huwelijk van Hendrick Kindt met Gertrudis Ramaeckers was geboren.)

Arensbergh was een zoon van Jan Arensbergh sr. te Amsterdam. Hij verdiende de kost als kleermaker en koopman in laken en stoffen. De heer van Hillenraedt behoorde tot zijn klantenkring. In 1690 lag hij in de clinch met zijn familie wegens het beheer en de verdeling van de omvangrijke erfenis. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 188-1960.) In augustus dat jaar beleent hij deswegen zijn huis in de Brugstraat met een kapitaal van 1200 gulden tegen een rente van 48 gulden, te betalen aan Arent Cornelissen en Maria Arensbergh, echtelieden. Het onderpand was gelegen tussen de woning van Jan Mans en het huis van de erfgenamen Loosen (voorheen Soetermans). De lening werd in september 1697 afgelost. (Hoofdgerecht 320-f.116v.)

Mogelijk, dat het gezin Arensbergh aanvankelijk nog in het gotische huis heeft gewoond. Naderhand verwierf Johan Arensbergh het huis De Eenhoorn naast het stadhuis. In 1682 voerde hij proces met de buren. Over en weer hadden die van Arensberg en het gezin van Baldeglesias overlast van elkaar, hetzij wegens de erfscheiding, de waterafvoer, dan wel over de inkijk. Pas tien jaar later konden beide partijen tot een vergelijk komen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 170-1587.)

Het huis in de Brugstraat was in die jaren verhuurd. Aanvankelijk aan Hendrick van der Maessen en Catharina Bauschen, naderhand hertrouwd met Lennardt Frencken. Aanvankelijk tegen een jaarhuur van 75 pattacons, naderhand met de weduwe Kindt tot 60 pattacons afgedongen. Maar de huurschuld werd daar niet minder om. Over de jaren 1686 tot en met 1691 was de achterstand met 240 rijksdaalders opgelopen bovenop de oude schuld vanaf het jaar 1680. Ook al omdat de handel minder opbracht, zouden de huurders van plan geweest zijn om te verhuizen.

Het ouderlijk huis van schepen Cnops verderop in de straat, dat voor de nering zelfs groter was (evenals de keuken, de kamer en de zolder), stond te huur voor niet meer dan 100 gulden. Daar was zoveel meer ruimte om haar koopmanschap in vruchten en andere Hollandse tonne-wahren te plaatsen. Frencken zou van plan zijn geweest, de nering daarheen te verhuizen. Daarop zou de weduwe Kindt de prijs tot 40 rijksdaalders gekort hebben, wat vervolgens toch weer tot 50 is opgeklommen. Catharina Bauschen gaf daarbij aan, dat de weduwe Kindt uit angst hierover niets aan haar schoonzoon en dochter had durven vertellen. (Weshalve Gertruy in de kwitanties de huursom sindsdien wegliet.) Anderen beweerden, dat het echtpaar helemaal had willen verkassen vanwege de rompslomp, die het met zich mee zou brengen.

Voorheen werd op verzoek van de huurders de winkelkast, of gaam hersteld zoals ook voordien tot het huis heeft behoord. Er was dispuut over de eigendom van deze gaam. Verder liet Arensbergh weten, dat hij het huis beter aan een ander had moeten verhuren. Het huis leek wel uitgewoond en de zolder was bedorven door de opslag van het vele pekel en zout. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 188-1952.)


Ick, meester Antoone Baylly, bekenne voor Hendrick van der Maessen saliger
gemaeckt te hebben
een gaem in't huis van vrouw Kint saliger in de Brughstraet,
waer over ick mij bedancke goeder betaelinghe.

Catharina Bauschen werd in 1689 aangesproken wegens een openstaande schuld van 100 rijksdaalders uit een kapitaal van 500 gelijke munten, afkomstig uit de nalatenschap van haar overleden vader Johan Bausch, koopman te Heinsberg. Omdat de weduwe Frencken niet voldoende onderpand kon stellen, lieten haar schuldeisers beslag leggen op de koopsom van een partij zout. Dit reikte echter maar voor de helft. Voor de overige 50 pattacons stelde de weduwe Frencken haar vaders goederen, die opgeslagen waren in het huis in de Brugstraat. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 188-1959.)

Johan Arensbergh stierf uiterlijk begin 1696. Zijn weduwe voerde toen nog proces voor het Hof van Gelder. In september 1702 staat het huis in de Brugstraat nog op naam van de weduwe van wijlen peiburgemeester Arensbergh. Hun buurman Joris Schrijnen, kapitein-luitenant onder het regiment cavalerie van de graaf de Lovaignies, is dan hertrouwd met Catharina Franchot. Hij vermaakt de eigendom van zijn huis aan zijn drie kinderen. Hij behoudt evenwel zijn tochtrecht als weduwnaar. (Schrijnen had het huis in 1697 aangekocht van zijn 'schoonfamilie', met name van Jan Mans, getrouwd met Marie Cosijnkes, op haar beurt weduwe van Nijs Franchot.)

Waarschijnlijk zijn het haar schoonzoon Rochus Joris, secretaris van de Ridderschap en Steden van het Overkwartier (+1715), en haar dochter Mechteldis Arensbergh (1663-1719), die het huis in de Brugstraat omstreeks 1707 verkopen. (Het boek waarin de overdrachten tussen 1702 en 1708 door de secretaris van het Hoofdgerecht werden genoteerd, is in de loop der tijd verdwenen.) Zij behielden het ouderlijk huis op de Markt, (voorheen) genoemd Het Eenhoorn, hun huurhuis tegenover de ijzeren put aan het Hanestraatje en het huis op de Swalmerstraat. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 217-2545.)

 

 

Jenne Abrahams, de weduwe Severijns uit Ool...

In februari 1713 verkoopt Catharina Schrijnen het ouderlijk huis in de Brugstraat voor 100 Franse pistolen aan Johanna Abrahams, weduwe van Severijn Severijns. Daarbij handelde verkoopster mede namens het kind van haar overleden broer Peter, en namens haar zuster en zwager, het echtpaar Moritz-Schrijnen. Het huis was gelegen tussen het woonhuis van de weduwe Severijns enerzijds en het huis van Joannes Glau anderzijds. Verkopers betonen dat zij hun huurhuis uijt sonderlijcke affectie ende genegentheit hebben verkocht en aan niemand anders voor deze lage prijs zouden verkopen.

Het betreft hier de voormalige opvaart naar het eerste huis om de hoek met de Neerstraat, afkomstig van Dirck Cox en vervolgens bebouwd door diens schoonzoon Rick Stijns. Het is dus nooit de poortweg van het gotische huis geweest!

Op zijn beurt beloofde Hendrick Coelmont, die bij de transactie namens zijn schoonmoeder handelde, dat hij de verkopers zou tracteren op een goede recreatie en maaltijd, en aan Elisabeth bovendien 3 pond goede thee zou schenken. De armenmeester Peter Ignatius Janssen, die namens de verkopers aanwezig was, kreeg een dubbele gouden ducaat. (Hoofdgerecht 324-f.24.)

Een jaar later, in juni 1714 verkoopt Jenne Abrahams, met assistentie van haar schoonzoon Hendrick Coelmont, voor 304 rijksdaalders hetzelfde huis door aan mr. Peter delBaro en Wendelina van Eijck. In de volmacht aan haar schoonzoon, omschrijft Jenneke Haberhams de woning gelegen in de Brugstraat tussen het huis van Joes Glau en "mijn huijs genoemt Het Witte Peerdt". (Hoofdgerecht 324-f.84 en f.171.)

Wat is er in die tussenliggende jaren zoal gebeurd? Dat is niet meer op te zoeken. In het stadsarchief ontbreekt namelijk het overdrachts-register over de jaren tussen 1702 en 1708. In die tijd kan veel gebeurd zijn. De overbrugging tussen beide jaren kan gemaakt worden via genoemd huis van Joris Schrijnen.

Aan de andere kant van de woning van de weduwe Severijns stond het huis van Frans van Ophoven en Marie van Loosen, voorheen De Helm genoemd. (nu: Brugstraat 9.)
Vier huizen op rij in de Brugstraat v.l.n.r.: Het Eenhoorn v/h Het Witte Peerdt; De Helm; De Karre; In Nijmegen.
Het smalle tussenpand links was oorspronkelijk de poortweg naar het pand om de hoek van de straat, dus niet van het gotische huis.

Herkomst van Jenne Abrahams, de weduwe Severijns uit Ool.

Dat de weduwe Severijns uit Ool het huis heeft aangekocht, klinkt minder vreemd nu we de herkomst van Jenne Abrahams hebben gevonden. Zij was immers geboren in het ouderlijk huis om de hoek, naast De Stadt Emmerick. Zij blijkt een kleindochter te zijn van Abraham van Nuyss en Marie Meisters. Zij lieten twee zoons na, Stoffel en Antheunis Abrahams. Deze Thonis van Nuyss trouwde Lysbeth Vogels. Hun huis in de Neerstraat ging over op hun dochter Maria, in huwelijk met Hans van de Steenwegh. Haar zuster Jehenne trouwde met Severijn Severijns alias Peters uit Ool. De verwantschap tussen Maria en Jehenne is vooral af te leiden dat zij wederzijds aanwezig waren bij de doop van de kinderen en kleinkinderen. Jenne Abrahams kende het huis in de Brugstraat uit haar jeugd.

Burgemeester Severijn Severijns alias Peters en zijn vrouw Jenne Abrahams maakten in mei 1703 hun testament. Het echtpaar woonde toen nog in Ool. Hun dochter Elisabeth was getrouwd met Jan Schrijvers, landbouwer en herbergier in De Wildeman aan de Broekhin. Peter Severijns, de oudste zoon, was getrouwd met Lysbeth Lemmens. Zijn overlijden kan gedateerd worden voor mei 1707. Uit dit huwelijk werd een dochtertje geboren. De overige drie kinderen waren in 1703 nog ongehuwd. Zij konden alvast rekenen op een uitzet van 200 rijksdaalders bij een eventueel huwelijk. Maria Severijns kreeg vooruit nog eens 200 rijksdaalders om redenen van haere laemte. Haar broer Sibertus kreeg om dezelfde reden het dubbele bedrag toebedeeld. (GAR Archief Daelenbroek inv.nr. 264; zie ook: Jo Schreurs in De Klepper, aug. 1975, kwartaalblad HVR.)

Catharina Severins trouwde met Hendrick Coelmont, schepen te Herten van 1709 tot 1735. Zij hadden een huis in de Neerstraat, onder aan de Markt, naderhand bekend onder de naam Het Wit Peerdt (1749). Diezelfde benaming kwamen we ook al tegen voor het huis van Jenne Abrahams in de Brugstraat (1714).

Johanna Severijns uit Ool stierf in juli 1729 bij haar dochter in de Brugstraat. Ze werd begraven op het kerkhof van de paters Franciscanen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het huis van de weduwe Severijns ging over op haar dochter Maria, in eerste huwelijk (1704) getrouwd met Joannes Straffen. Naderhand (1710) hertrouwde zij met Joannes Albouts. Het ging hun beduidend minder voor de wind. In 1734 nam het echtpaar Albouts met instemming van Maria's voorzoon, Gerardt Straffen, priester, een lening op van 250 pattacons. Tien jaar later zou daar bovenop door de kinderen Albouts nog een lening van 100 pattacons volgen. Die kinderen Albouts, dat waren toen zoon Peter en dochter Gertrudis, in huwelijk met Anton Mulbracht. (Hoofdgerecht 328-f.22.)

Niet alleen zoon Gerardus Straffen, kapelaan te Bilsen (1744), uit het eerste huwelijk van Maria Severijns, ook haar zoon Severinus Albouts had voor het priesterambt gekozen. (GAR, kerkregisters DHO.)

Aanvankelijk was het de bedoeling van voornoemde erfgenamen Albouts om hun huis in de Brugstraat, dan genoemd 'Het Eenhorne', openbaar ten meesten profijte met de kaars te verkopen. Dat was hen echter niet gelukt. Kort daarvoor hadden Mulbracht en vrouw al een huis op de Hamstraat gekocht. Daarom gaven zij vervolgens aan advocaat J.B. Clout de opdracht voor het huis (regenoten Peter Delbado en Gerardus Ophoven) een geschikte koper te vinden.

Het Eenhorne...
In juni 1749 verkocht deze als gevolmachtigde 'Het Eenhorne' voor 815 pattacons aan Severijn Severijns en Barbara Meuren, kooplieden te Roermond. Aankopers namen tevens de schuld van 350 pattacons, staande op het huis, op zich. In een bijschrift werd naderhand vermeld, dat enkele jaren eerder daarvan 100 pattacons waren overgeschreven op het huis van de erfgenamen Coelmont in de Neerstraat. De resterende bedrag werd in november 1750 afgelost. (Hoofdgerecht 332-f.181.)

De nieuwe bewoners van het pand in de Brugstraat waren in september 1747 getrouwd in de Kapel van O.L.Vrouw int Sandt buiten de stadsmuren. Barbara Meuren was een dochter uit het huwelijk van Hendrick Meuren* en Maria Corsten, bewoners van Het Nieuwhuijs aan de Rode Brug te Herten. Het is niet duidelijk in hoeverre Severijn Severijns, koopman te Roermond, al dan niet verwant was aan voornoemde Jenne Abrahams. Het echtpaar Severijns kreeg vier zoons en vijf dochters.

In juli 1762 verkoopt Catharina Janissen, weduwe van chirurgijn Petrus Delbaro, haar huis in de Brugstraat voor 300 pattacons aan de buren, het echtpaar Severijns-Meuren. (Hoofdgerecht 336-f.179. Afbeelding: GAR, afd.VII-2 Collectie Huysmans inv.nr. 17.)

In 1773 werd door de paus de orde der jezuïeten wereldwijd opgeheven. Ook in het rijk van keizerin Maria Theresia. Terwijl andere overheden de bezittingen van de orde nog lange tijd in eigen beheer hielden, werden de goederen in de Oostenrijkse Nederlanden spoedig verkocht. Severijn Severijns, koopman uit Roermond, verwierf op die manier de boerderij en een deel van de grond op de Jezuïeten Spick te Maasniel. De voormalige pachthof ging naderhand over op zijn dochter Catharina Elisabeth, in huwelijk met Andries Wackers. Ook diens vader had daar flink wat grond in eigendom verworven. (Zie: Jan Ruiten Onder den Klockenslagh van Neel..., blz. 287, uitgave HVR O'berg 1994.)

Het gotische huis in de Brugstraat, voorheen ook wel Het Witte Peerdt en Het Eenhorn genoemd, ging over op haar tweelingzuster Anna Barbara Severijns (1754-1820), die in juni 1793 in het huwelijk trad met de horlogier Theodorus Franciscus Dionisy (1764-1855). Vlak om de hoek had het echtpaar nog twee huizen (nu: Neerstraat 4-6), eveneens afkomstig van de weduwe Severijns, volgens de lijst van woningen in 1780.

* Over de familie Meuren, zie elders op deze website.

1779: nr. 145 wed. Severijns, kremer; 1801: huisnr. 181 Theod. Dionisy, horlogier; 1812: huisnr. 184 T.F.Dionisy; 1821: D.853 Dionisy; 1843: D.684 Jan Dionisy, horlogiemaker.