POORTWEG

Laatst gewijzigd: 29-07-2017 © Jan Ruiten

EEN OUDE ZEGELBRIEF
Brugstraat 21


In deze stichtingsbrief uit 1392 dragen Aleit, weduwe van Arnolt Neutkens, en haar kinderen een jaarlijkse rente van een Gelderse gulden, goed van goud en zwaar van gewicht, over aan het echtpaar Teryeen, staande op de helft van een half huis in de Brugstraat.
De vraag is dan, uit welk huis wordt hier de rente betaald? Het antwoord was er nog voor de vraag gesteld kon worden.
Ruim drie eeuwen later, in oktober 1708 werd een huis in de Brugstraat verkocht na twee zittingen met de kaars. Tussentijds liet het kathedraal kapittel weten, dat het huis was belast met een erfcijns van een Gelderse gulden "goet van golde ende swaer van gewicht" waarvan het kapttel de zegelbrief uit 1392 bezat, en was toen te betalen aan het st. Lucas-altaar.

(RHCL te Maastricht 14.A002B: archief Kapittel van de H. Geest te Roermond, inv.nr. 531.)

De letterlijke transcriptie van deze zegelbief staat onderaan deze pagina.

 

Een eeuwenoude erfcijns

De 13-jarige Peter Gerardus Claessens had al vroeg zijn beide ouders verloren. Zijn voogden hadden besloten om enkele goederen uit de nalatenschap te verkopen. Het betrof het groot huis in de Brugstraat en een huis in het Ezelstraatje, dat voor de helft op naam van zijn oom stond. De panden werden bij opbod verkocht met twee zitdagen.

Het huis in de Brugstraat was belast met een oude erfcijns, toen te betalen met twee gulden en vijf stuivers aan het st. Lucas-altaar in de kathedraal. Na de eerste zittingsdag begin oktober 1708 liet het kathedraal kapittel weten, dat de cijns afkomstig was van een zegelbrief uit 1392 en wees er op, dat het (niet genoemde) kapitaal niet op de koopsom gekort mocht worden. De oorspronkelijke cijns bedroeg een Gelderse gulden "goet van golde ende swaer van gewicht".

En inderdaad. De oorspronkelijke zegelbrief waarnaar verwezen werd, bevindt zich nog in het archief van het kapittel, tegenwoordig ondergebracht in het Historisch Centrum te Maastricht. De stichtingsbrief kon derhalve gekoppeld worden aan het vernoemde onderpand, Brugstraat 21.

Peter Gerardus was het enig kind uit huwelijk van Johan Henr. Claessens en Beatrix Agnes Pallant. Het huis met de schuur en stalling in de Brugstraat ging op de tweede zittingsdag in oktober 1708 over op dhr. ontvanger Gerardus van Baerl voor 1450 pattacons. Het andere huis ging over op de brouwer Matthijs Crompvoet, maar moest het beschud door Lenardt van Loosen en vrouw accepteren. (HGR inv.nr. 323-f.13 e.v.)

Het was de enige keer, dat de ontvanger G. van Baerl werd genoemd in verband met het huis in de Brugstraat. Of de verkoop niet is doorgegaan, het lijkt wel zo. Naderhand, in januari 1731 schenkt de jezuiet, pater Petrus Claessens zijn huis in de Brugstraat (tussen dezelfde buren gesitueerd als in 1708) aan zijn neef de raadsheer Peter Franc. Claessens, als gift onder levenden.

De begunstigde verbleef in die tijd te Brussel als substituut-momber van de koning van Pruisen in het district van Gelder. De schenking aan zijn neef gold ook voor een huis in de Veldstraat. (HGR inv.nr. 327-f.273 e.v.)

 

Riant buitengoed

De nieuwe eigenaar, raadsheer en syndicus Claessens, verkoopt het huis in de Brugstraat in november 1747 voor 860 pattacons aan Matthijs Philippaer en Aldegonda Stevens. De huur zou nog tot Pasen aan de verkoper toekomen. Of het echtpaar Philippaert het huis toen zelf nog in huur had, blijkt niet direct uit de akte. Het echtpaar was in februari 1736 getrouwd. Nog geen jaar na de aankoopstaat het huis op naam van de weduwe Philippaer. Mathias stierf in april 1748 in zijn huis in de Brugstraat (ad portam pontis).

Aldegunda Stevens hertrouwde in mei 1749 met de koopman en kremermeester Wilhelm H. Peeters. Haar voorkinderen uit eerste huwelijk zijn jong gestorven. We kennen het echtpaar Peters-Stevens als eigenaar van De Tegelarije te Maasniel, dat zij omstreeks 1760 hebben aangekocht, en als de bouwers van het Boshofken op De Spick aldaar. (Zie: Jan Ruiten, Onder den klockenslagh...)

In januari 1766 verkopen zij het huis aan het echtpaar Jan Lemmens (1716-1766) en Catharina Meuren. De verkoop werd gesloten voor liefst 1428 pattacons, hetgeen meer overeenkomt met het bedrag dat in 1708 geboden werd. Opmerkelijk is wel, dat het huis vrij was van enige uitzonderlijke grondlasten. (HGR inv.nr. 338-f.180v.)

De jonge kremermeester Lemmens, schipper en koopman, kwam nog datzelfde jaar te overlijden. Zijn weduwe zette het werk voorlopig voort. In 1779 stond zij ingeschreven als koolschipper.

Jan Lemmens (1716-1766), zoon van Nicolaus Lemmens en Jenne Jacobs, was in eerste huwelijk getrouwd met Catharina Willems (+1746). Hij trouwde in november 1748 in tweede huwelijk met Catharina, dochter van Hendrick Meuren (en Ida Leenen), voorheen pachter op de boerderij 't Ham van de Munsterabdij. Haar halfzus Barbara Meuren woonde elders in de straat, in het zogenaamde "gotische huis" (nu nr. 7).

Het huis gaat over op hun schoonzoon Willem M. Specken (1759-1838), leerlooier, getrouwd met Joanna C. Lemmens (1758-1836). De riante tuin achter het huis grensde zijdelings aan twee bedrijfspanden die uitkwamen op de straat, toen nog Achter de Muyr genoemd. Genoemde goederen stonden in 1843 op naam van hun dochter Petronella.

Maria Petronella Specken (1794-1852) verkocht in in december 1841 de leerlooierij op het Loos (nu hoek Looskade-Buitenop) aan bierbrouwer Hendrik Seipgens. De notarisakte geeft een gedetailleerde omschrijving van het huis annex kalk-pakhuis met kelder, een looierij bestaande uit twee werkhuizen met schwitshuis, zolder en kelder, 10 vloten, 5 kompen en 2 kalkkuilen; alles bij elkaar gelegen. Verder een woning bestaande uit 2 kamers, voorhuis, keldertje met zolder, gelegen in het straatje te Buiten-op, deels boven de genoemde looierij. (GAR archief not. F.W. Milliard, 12.253-nr. 321.)

Hendrik Seipgens woonde aan de overkant in de Brugstraat. Hij had daar meerdere panden afkomstig van zijn ouders.

 

Herbouw na de stadsbrand

De gang tussen de panden 21 en 23 werd al genoemd kort na de stadsbrand. Johan van Lom had hier twee huizen naast elkaar. In juli 1555 verkoopt hij de plaats met het muurwerk en de kamer "totten uytersten bandt under der schoresteyn pylre" naast zijn eigen erf aan Gerith Laewen van Straelen en vrouw Beelke, onder voorwaarde dat tussen beide panden een gang van 4 voet naast zijn muur blijft lopen tot aan het privaat. Hij is dan zelf ook nog druk met de nieuwbouw bezig, die door de nieuwe buurman wordt uitgevoerd. Het verdiende loon wordt van de koopsom in mindering gebracht. Gerith en Beelke verkopen het huis nog binnen een jaar aan zijn zwager aan Dederick Scherer en vrouw. (HGR inv.nr. 311-f.78; G..vBree regest 2895 en 3116.) Twintig jaar later is opnieuw sprake van "den gangk van Johan van Loms huy".

Johan van Lom was getrouwd met Lysbeth. In de stukken wordt hij steeds genoemd als bastaard (-zoon van Johan van Lom).

Het huis van Johan in de Brugstraat ging over op zijn dochter Eva van Lom, in huwelijk met Wilme Arettszoon van Oploo. In december 1680 werd in het gichtboek de overeenkomst opgetekend tussen verkopers enerzijds en Henrich van der Smitzen de jonge en vrouw Margarete anderzijds. Het huis zou voor de duur van vierentwintig jaar verhuurd worden tegen een jaarhuur van 20 rijderguldens (ad 24 stuivers). (HGR inv.nr. 311-f.334.)

De inkt was nog niet droog of Henrich van Achen kwam met een nieuwe volmacht uit Grave vanwege de verhuurders. Wilme van Oploo en zijn vrouw stemden in met een definitieve verkoop. Te zijner tijd zouden verkopers de overdracht eigenhandig bevestigen. Ondertussen trad Herman Emondtz op als naast verwant aan verkopers. Hij tekende beschud aan op het huis, om het vervolgens over te dragen aan Van der Smitzen en vrouw. Hierdoor werd het beschudrecht van anderen, bijvoorbeeld de buren, omzeild, of andere gegadigden die het huis wilden naasten. Dat was op kerstavond 1580. (HGR inv.nr. 311-f.335 en 336.)

Anderhalve maand later bekrachtigde Wilm Ahrets namens zijn vrouw de verkoop. Een goeie maand later werd het huis belast met een lening van 300 rijksdaalders bij de ouders van de aankoper, Henrich van der Smitzen sr. en Margriet van Hunsel.

Vanaf 1603 stond het huis op naam van hun zoon Adolff van der Smitzen. Maar dit moeten we dan toch lezen als vermeld bij de aflossing van de lening. De lening werd in 1607 door Adolf van der Smitzen, mede uit naam van zijn broers en zussen, afgelost. Het huis werd vererfd via diens broer Hendrick, getrouwd met Lysbeth van Asselt, op hun dochter Margriet van der Smitzen. Zij trouwde in mei 1632, nog maar 19 jaar jong, met de licentiaat Peter Bossman. Hij was de oudste zoon en opvolger van gemeentesecretaris (1612-1629) Peter Bossman en Judith Bylemakers. (HGR inv.nr. 312-f.337.)

 

gemeentesecretaris Bosman

Peter Bossman (sr.) was enig kind uit het kortstondig huwelijk van Peter Bossman en Encken Hacken. Zijn moeder hertrouwde met Michiel Huls, zaakwaarnemer. Aanvankelijk trad Bossman in diens voetsporen. Hij was secretaris van 1612 tot zijn overlijden in 1629. De vorige secretaris Johan Bossman, getrouwd met Lysbeth van der Smitsen, was zijn rechte oom en aanvankelijk als naaste verwant ook zijn voogd.

In 1635 werd Peter Bossman (jr.) genoemd in verband met het huis in de Brugstraat. In 1651 tekende de licentiaat Peter Bossman beschud aan wegens een huis in de Neerstraat, als naast verwant aan de verkopers. Hij telt het symbolische geld neer in goud en zilver. In dit geval een Hasseltse kroon en een oort-rijksdaalder. Verder staat hij garant met zijn woonhuis(!) in de Brugstraat. (HGR inv.nr. 316-f.143.)

In september 1684 beleent de bejaarde Margriet van der Smitsen, de weduwe Bossman, haar huis in de Brugstraat met 125 rijksdaalders bij het echtpaar Cnop-Smeets. Haar kinderen gaan hiermee akkoord. Genoemd werden o.a. de dochters Gertruijt en Liesbeth, zoon Peter, Agnes, de weduwe Sweijns, en de kinderen van haar dochter Anna uit huwelijk met Gerardt Pallant. Een van die kinderen is Beatrix Agnes (1674-voor 1708). (HGR inv.nr. 319-f.121 e.v.)

Toch komen we er niet zo gemakkelijk mee weg. Nog in oktober 1699 laten Henricus Bordels, adjudant in keizerlijke dienst, en zijn vrouw Liesbeth Bossman weten, dat zij het huis in de Brugstraat van de overige erfgenamen hebben overgenomen. Zij verwijzen naar bovenstaande belening uit 1684, die zij met het huis hebben overgenomen, en daar bovenop nog een belening van 100 rijksdaalders, ook aan de weduwe Cnop.

Uitdrukkelijk wordt dan vermeld, dat het echtpaar Bordels het huis "aangehouden hebbende" en de koopsom volledig betaald, getuige de ondertekening door advocaat Claessens! Omdat het gichtboek over de jaren 1702 tot 1708 ontbreekt, is de kans klein, dat de overdracht naar hun zwager en (schoon)zus nog ergens opduikt. (HGR inv.nr. 321-f.360.)

De volgende akte sticht nog meer verwarring. Nog net geen jaar na dato, namelijk in september 1700 getuigt Gertruijdt Bossman dat het huis voor de helft aan haar toekomt. Daarmee staat zij garant voor een lening van 100 rijksdaalders bij het echtpaar Bossman-de Vaes. Als onderpand stelt zij haar huis in de Neerstraat en de helft van het groot huis in de Brugstraat, met verwijzing naar de voorgaande belening. (HGR inv.nr. 322-f.78.)

Uiteindelijk wordt het huis dan toch vererfd op het echtpaar Classen Pallandt, en na hun overlijden op hun minderjarig zoontje.

.

= Brugstraat 21 en 23. De gang tussen de twee huizen werd al in 1555 na de eerste stadsbrand aangehouden. =.

Wer Dederic Bake, richter, Johan van Oiderade ende Jacop Licop, scepen tot Ryremunde, tugen dat vur uns comen is Aleit,
Arnoltz Neutkens wilneer wetlyc wijff, mit willen end gehentkenis Katherinen ende Marien, haere kinder, ende heeft mit
rechten vertegenis wetlic endewael gegeven ende verkocht aen ende op eyn halscheit van enen halven huse in der
Brugghestraeten tusschen husen Geraerten Stynemans ende Lucen Mangelartz gelegen, also verne als haer ende haere vier
kinders Katherinen, Marien, Arnolt ende Lambrecht dat tuebehoerende is ende alleyn an haere deil ende rechten enen
gueden gelres gulden, guet van golde ende zwair van gewichte, jairs ende erschies, off die werde daervur inder tijt
der betalingen genge ende geve, Dederijc Teryeen ende Zewicken, sinen wetliken wive ende haere beider erven tot enen
erfrecht te hebben ende te besuken alle jaire ende erflyc te geven ende te betalen op sent Johans dach baptyst ---
gebuert, ende Aleit vurg. heeft huen gelaeft an desen tsiese benne jair ind daghe all recht ansprake aff
t doen end daerynne te halden vur bescudden. Ende auch gelaeft dat dat mit wille sy ende solt wesen Arnolten ende
Lambrechten haere kender vurss. ende dat sy nidmer ansprake daeromme doen sollen, ende wer auch enen brieff hebben gesien
ende gehoert lesen ende in de richter ende scepenen van Ruremundse zegele bezegelt, dat die vurg. Arnolt ende Lambrecht
haere moder gegont hebben ende haers wille daertue gegeven, all alsulke husinge ende erve bennen den gericht
van Ruremunde gelegen te verkoupen teverstecken ende te besweren ende haere wille daermede te doen daer tue doen
ynne gelaeft vast ende stede te halden so wat haer moder daerynne dae so dat Dederyc der richter baenst
hoeft desen selven tsies geleent ende opgedtagen Dederyc ende sinen wive vurssch. ende heeft sy daer yngesat
ende ge-erft alse recht end gewoenlic is, beheltenis mallinx rechtz, zonder arglist. In orkunde dis briefs
open bezegelt mit onsen zegelen, segt int jair ons heren XCCC tweendnegetich des neesten godensdachz
na synt Margaretendach virginis.

 

1779: nr. 137 wed. Jan Lemmens, koolschipper; 1801: huisnr. 173 Guill. Specken, leerlooier, huis met poortweg; 1812: huisnr. 176 Guill. Specken, huis met poortweg; 1821: D.864 Guill. Specken; 1843: D.694 Petronella Specken, rentenierster.