Swalmerstraat 5-9






Laatst bijgewerkt: 06-11-2013 © Jan Ruiten

IN HET GULDEN CRUYTZ
-niet zomaar een huis-

Aannemer Gerardt Coolen was op vele markten thuis. Hij was naast schatinner ook nog landmeter, kerkmeester en aannemer van openbare werken. In 1732 kocht hij het kapitale pand aan het begin van de Swamaekerstraat. Toen werd ook het pand in zijn volle breedte met een wagenpoort verder uitgebreid. Het huis met het torentje bleef ruim een eeuw gedurende drie generaties in de familie, tot de verkoop in 1846. Verder terug in de tijd stond het huis bekend onder de naam Het Gulden Cruytz, maar meestal Dat Cruitz genoemd, en in de akten nog korter als 't

Januari 1535. Vooreerst moesten ze als boete twee mark groot geld betalen aan de heer, de hertog van Gelder. Tijs van Loesfelt en vrouw Merie hadden Meth Fleuter, de stiefmoeder van Tijs, zodanig geslagen en mishandeld, dat een geldboete alleen niet voldoende werd bevonden. De schepenen van Roermond meenden dat een gerechte straf hier meer op z'n plaats was. Het echtpaar moest nog voor het feest van st. Jan (24 juni) drie bedevaarten ondernemen, de eerste naar het Maria-oord O.L.Vrouwe ten Eisell, de tweede naar Trier en de derde naar Keulen; en van elke bedevaart een bewijs (liggende ofte levende konden) meebrengen. Het alternatief bestond in een boete van een pond per mijl. Zo'n groot bedrag konden zij onmogelijk ophoesten... Zulke straffen werden in die tijd wel vaker opgelegd voor een dergelijk vergrijp. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 21: oirvedenboek, fol.17.)

Thijs was een zoon van Frans van Loesfelt en diens vrouw Joiste. Met dit echtpaar begint de geschiedenis van het huis Swalmerstraat 7. Het echtpaar kocht in juni 1504 een huis op de Oever. Nu is dat de Pastoorswal. Verkopers waren Lemke sGragen en vrouw Jutte. (GAR: G. van Bree, Rens Gestae nr. 1709.)

Het zijn slechts spaarzame gegevens uit het einde der Middeleeuwen. Thijs en zijn vrouw zijn heelhuids van hun vrome tocht teruggekeerd. In juni 1549 stond hij borg voor Peter Rameckers. Die beloofde, dat hij Thijs zou vergoeden met de goederen die hij bezat in het land van Horn, mochten de zaken mislopen en zou Thijs er alsnog op worden aangesproken. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 311: overdrachten fol.10.)

In september 1552 nam Marie van Loesfelt, de weduwe in den Gulden Cruytz, met instemming van haar zoons Rombolt en Joest, een lening op tegen een rente van 10 rijderguldens, te betalen aan het echtpaar Stocks. In later jaren werd de naam ook wel als Loirsfelt geschreven en ging men zich tussendoor ook nog eens Finemans noemen. (GAR: idem, fol.40.)

In maart 1563 kreeg Joest van Loesfelt toestemming van de broederschap van St. Jan en St. Mathijs, om de winde tussen beider erven dicht te bouwen en op de fundering van de broederschap een muur te metselen van 12 voet hoog. Mocht de broederschap zelf nog ooit van plan zijn om hun huis nieuw op te bouwen, dan zou het regenwater daarvan aflopen via Loesfelts erf. (GAR: idem, fol.166.)

(Een winde is een smalle doorgang tussen twee huizen. In tegenstelling tot een gats, diende deze gang alleen voor eigen gebruik van wederzijdse bewoners. Bij eventuele overkapping werd meestal gesteld, dat een kooldrager met zijn mand op de schouder eronder door moest kunnen.)

Diezelfde maand verwierf Joest ook de plaats achter zijn erf op de Oever van de kinderen Phebus. Hun moeder Marie Noyen, had daartoe haar weduwenrecht aan de kinderen overgedragen. (GAR: idem, fol.147vo.)

Vijf jaar later, in februari 1568 werd er door zekere Tilman van Echt beslag gelegd op de goederen van Joest int Cruys, wegens een openstaande schuld van liefst 900 daalders. (GAR: idem, fol.202.)

Bovenstaande gegevens maken duidelijk, dat het Gouden Cruytz toentertijd slechts een deel heeft uitgemaakt van het huidige pand met erf en tuin aan de Swalmerstraat. Eerst door samentrekking met het achterhuis kwam het perceel uit op beide straten. En dan nog niet over de volle breedte.

Links lag de timmerplaats van Gereth van Hambach (1578), na de eerste stadsbrand nog steeds niet betimmerd. Rechts lagen de twee huisjes van mr. Johan Saedelmecher (1575). Daarnaast lag het groot Baerle's Huis, waarvan de tuin aan de kant van de huidige Pastoorswal doorliep tot achter Het Gulden Cruytz. (Zie schema verderop.)

Enkele jaren na het overlijden van Joest int Cruitz liet Gerith Metzemecher in mei 1583 namens de kellerij van het Munster beslag leggen op het huis wegens achterstallige renten. En toen duurde het toch nog tot augustus 1586, dat domina Bele Quaedt, kloosterjuffrouw en kellerse van de Munsterabdij, met instemming van de abdis Anna van Barick, het huis en erf op de Swamaekerstraat verkocht aan Henrick Tylmans van Echt, bijgenaamd de Lysbonner, en diens vrouw; met de last van 2 gulden jaarlijks aan het klooster. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 311: overdrachten fol.358vo en 389vo.)

Kort daarop namen Jacob Scherers en zijn vrouw Lysbeth en Mettel van Loesfelt, ook namens de minderjarige kinderen van wijlen (hun broer) Frans van Loesfelt, alias Finemans, de zaakwaarnemer Gerit van den Bergh in de hand. Er staat niet bij om welke zaken het ging, maar het kan bijna niet anders dan om de gedwongen verkoop hierboven vermeld. Nog voor jaar en dag voorbij waren, in juli 1587 maakte van den Bergh bezwaar tegen de verkoop van Het Cruitz van wijlen Joest van Loesfelt. Uit de akten is niet duidelijk of Joest hun vader, dan wel hun broer is geweest. (GAR: idem, fol.390vo en 402.)

Deze aktie door de erfgenamen van Joest schijnt beloond te zijn, want in april 1591 verkochten zij het huis op de Zwallmerstraet met de poortweg en de achterliggende moestuin tot op de Oever. Daartoe behoorde bijna onlosmakelijk ook het timmerplaatsje aan de overkant van de straat, tussen het erf van Jelis Kremers en de gang of poortweg van het stadhuis, ook wel de herengaffel genoemd. (GAR: idem, fol.439.)

(De zaal, of kamer waar de smeden bijeenkwamen, werd de smedengaffel genoemd, en waar de heren van de magistraat vergaderden, dat was de heren- of stadsgaffel, het stadhuis dus.)

- cartouche met de naam van de schenkers: Johan van Nederhoven en Marija Vostermans seijne huijsfrouw. (Scherven uit de glasvondst van 2011. Nederhoven was muntmeester tot zijn overlijden in april 1608. Niet 1618!) Mogelijk fragment van een kerkraam met de namen van de schenkers, of leden van de st. Jacob-broederschap.
Samen met zijn broer Mathias en diens zoon Jacob sloeg Johan van Nederhoven op bestelling Roermondse munten, te weten peertgens, stuijvers, coperen ortgens en lupsen. De werkplaats bevond zich in huis van een der twee broers. Overigens had Johan zijn helft "van de munte" al geruime tijd voor zijn dood overgelaten aan twee andere personen. Schepen en muntmeester Nederhoven woonde in het huis Het Gulden Cruytz op de Swalmerstraat recht tegenover de gang van het raadhuis.

Roermonds oordje
uit 1608





























|_____
De munter, prent van Jan Luyken 1694.

muntmeester Johan van Nederhoven

Net zoals bij Het Cruitz nog een plaats hoorde naast het erf van Kremers, zo had deze achter het huis van de verkopers een moestuin, waartoe hij recht van overpad had. Johan van Nederhoven, schepen van 1579 tot zijn overlijden in 1608, en vrouw Marie Vorstermans werden voor de som van 1500 gulden de nieuwe eigenaars van huis en erf, genoemd Het Cruytz.

In het Roermond van die tijd bezat de familie Vorstermans meerdere grote panden. Zo was daar Reiner Vorstermans, oom van Marie Vorstermans en van Aelitgen, de vrouw van Johan Finemans, herbergiers op de Varkensmarkt, en zus van Liesbeth Vorstermans, de weduwe van Jacob van Lom, wiens huis en erf op de hoek van de Markt stond. En dan waren er nog de huizen in de Brugstraat en in de Munsterstraat.

De dag na aankoop van Het Cruytz op de Swalmerstraat in april 1591, ging schepen Nederhoven een ruil aan met zijn zwager Reiner Vorstermans. De laatste kreeg het huis naast zijn eigen woning in de Brugstraat en Nederhoven een huis in de Munsterstraat plus 600 gulden, om het prijsverschil goed te maken. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 311: overdrachten fol.439vo.)

Johan en zijn broer Mathias waren zoons van wijlen schepen Gaedert van Nederhoven, provisor van het Gasthuis op de Steenweg. Dan was er nog de natuurlijke dochter Catharina van Nederhoven, getrouwd met Jan van Heinsberg. De twee broers blijken voor korte tijd werkzaam te zijn geweest als muntmeesters te Roermond. Vervolgens was het Jacob van Nederhoven, die de munt van zijn vader Thijs heeft overgenomen.

Terwijl Johan in de voetsporen van zijn vader trad, komen we Mathias van Nederhoven in Roermond in de overdrachtsprotocollen niet een keer tegen, niet als belanghebbende partij, niet als naaste buurman. Mocht hij al in Roermond zelf gewoond hebben, dan zou het ook mogelijk zijn, dat hij bij zijn broer was ingetrokken, wiens huwelijk kinderloos zou blijven. Na diens overlijden, wordt niet zijn broer Thijs, maar diens zoon als mede-erfgenaam genoemd.

Het huis in de Swalmerstraat was vanouds belast met een lening van 350 gulden, tegen een jaarrente van 7 goudguldens, te betalen aan de broederschap van St. Johannes en St. Mathias. De broedermeesters konden niet meer zeggen of de brief bij de (stads)brand, of onlangs tijdens krijgsonlusten was verloren gegaan. Daarom lieten zij klaar en duidelijk vastleggen, dat Nederhoven de lening inmiddels geheel had afgelost. (GAR: idem inv.nr. 311, fol.443vo.)

Het jaar daarop, in november 1592 verkochten de erfgenamen Hambach de timmerplaats met de tuin naast dat Gulden Cruitz aan zekere Peter Coenen, alias Kopkens uit Swalmen. Het erf was belast met een erfrente van 5 rijderguldens. (GAR: idem inv.nr. 312, fol.10.)

Johan van Nederhoven was zeker geen onbemiddeld man. In juli 1595 liet frater dominus Jois Slinss, prior der kartuizers, weten, dat hij met instemming van het kapittel-generaal der orde en van de heren visitoren, verder met toestemming van het Hof van Gelder, meerdere bezittingen en goederen mocht verkopen tot een bedrag van 20.000 gulden. Dit geld had het klooster nodig om van de heren Maroyen en Nederhoven de tienden van Maasniel terug te kopen. (GAR: idem inv.nr. 312, fol.42.)

In juli 1596 werd schepen Nederhoven belast met de bouw van het nieuwe of Pollardts-gasthuis op de Schuitenberg. (A.F.van Beurden, Handelingen Magistraat enz.)

Na het overlijden van burgemeester Johan van Nederhoven in april 1608, stelt de weduwe haar broer Reijner en de zoon van haar zuster, de secretaris Mathis van Lom aan om haar zaken te Brussel en in Roermond te behartigen. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 313: overdrachten fol.7.)

In december 1609 blijkt Marie Vorstermans te zijn hertrouwd met Johan van Dursdael. Dit huwelijk was slechts van korte duur. In maart daaropvolgend werd Marie opnieuw weduwe genoemd, terwijl de vrouw zelf uiterlijk voor augustus 1611 overleden is. Nog datzelfde jaar verkochten de erfgenamen het huis van wijlen het echtpaar Nederhoven, in de Munsterstraat naast de rosmolen, voor 1050 gulden aan Conrardt Ruijss en vrouw.

Al gauw ontstonden er wrevelingen binnen de familie. Het waren met name de kinderen van Albert Vorstermans, die hun oom Reiner ervan verdachten, dat hij zich niet alleen geld en goud uit het sterfhuis van wijlen burgemeester Nederhoven had toegeëigend, maar ook de papieren uit het kantoor. Reiner Vorstermans, liet weten, dat hij toen had gehandeld op verzoek van zijn zuster Marie, om namens haar enkele schulden te voldoen.

Zijn zuster Liesbeth, de weduwe Lom kon dat getuigen. Zij bevestigde nadrukkelijk het verhaal van haar broer en voegde er ten overvloede nog aan toe, dat Reiner door God rijkelijk met geld en goed was gezegend en dat hij zulks niet nodig had te doen. Maar de tegenpartij was daarvan niet onder de indruk, immers toen al wist men: "hoe meer de mens heeft, hoe meer hij begeert". (GAR: archief Hoofdgerecht inv.nr. 112, procesnr. 228.)

Omdat het echtpaar Nederhoven geen kinderen had nagelaten, verviel de nalatenschap aan beider naaste erfgenamen. In oktober 1611 verkocht Lenardt Pijlmans uit Maaseik, namens zijn vrouw Mettel van Nederhoven voor 525 gulden hun zesde deel in huis en hof aan de muntmeester Jacob van Nederhoven en vrouw Catharina Conings. (GAR: idem inv.nr. 313, fol.76.)

In november verkocht neef Christiaen van Ummersum namens de partij Vorstermans de helft van huis en hof voor 1900 gulden aan genoemde muntmeester. In februari 1612 konden Jacob en zijn vrouw zich in het volle bezit noemen van huis en erf, moestuin en de timmerplaats aan de overkant van de straat, nadat Johan Beckers uit Maaseik, ook namens zijn aanhang het resterende zesde deel voor de som van 575 gulden had overgedragen. (GAR: idem inv.nr. 313, fol.80.)

Van Ummersum is nog in protest geweest met muntmeester Jacob van Nederhoven. Voorheen had Johan van Nederhoven voor de ene helft en zijn broer Mattheus met zoon Jacob voor de andere helft "de munt aangenomen". Dat was in 1605. In december dat jaar vorderde het stadsbestuur van de vorige muntmeester Dirck van der Linden de muntgereedschappen terug.

Johan had zijn helft al gauw overgelaten aan genoemde Christiaen van Ummersum en Goert Beckers, dus elk droeg een vierde deel der lasten en deelde evenredig in de affvallende prouffiten. Dit alles (voorlopig) tot juni 1608.

Jacob zou daarvan de balans opmaken. Maar dat had hij zo oppervlakkig en algemeen gedaan, dat men in de stukken weinig terug kon vinden over de resterende houtskool, de werkbank (werckgetouwe) en het muntgereedschap en zonder enige staat of expertise van de zilveren en koperen munten. Overigens, het geld dat in Roermond geslagen werd, betrof enkel "kleingeld", meest kopergeld. Uit latere vermelding weten we, dat dit gebeurde ten huize van de muntmeester zelf. Jacob komen we ook daarna nog tegen als muntmeester, terwijl de werdijn Walraven Daniels optrad als keurmeester van de munt. (GAR: idem inv.nr. 111, procesnr. 253.) In 616 en 1617 werd zekere Hendrick Wintgens genoemd als muntmeester. In juli van laatstgenoemd jaar werd beslag gelegd op 28 rood-koperen platen in zijn huis, ter waarde van 171 gulden.

In maart 1620 gaf Jacob volmacht aan Lenardt Boyen om zijn zaak te defenderen tegen Guerdt Beckers. Pas in juli 1624 konden beiden elkaar weer de hand reiken, na tussenkomst van vrienden (lees: familie). Nederhoven had zijn huis in de Swalmerstraat inmiddels verkocht en Guerdt had beslag laten leggen op de koopsom. Zodra de nieuwe eigenaar weer terug was van zijn uitlandse reis, zou Nederhoven zijn schuld van 200 rijksdaalders aan Beckers voldoen. Omdat de processtukken in het archief van het hoofdgerecht niet voorkomen, blijft het enkel bij gissen of de zaak tussen beide oud-muntmeesters nog met de munt te maken had. Daarbij zij aangetekend dat Geurdt Beckers goudsmid van beroep was. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 314: overdrachten fol.78.)


Links: zilveren oord; rechts: bronzen duit. Beide munten omstreeks 1606 in Roermond geslagen door de muntmeesters de gebroeders Van Nederhoven.

Over het plaatsje aan de overkant van de straat is lange tijd gestechel geweest tussen Jacob van Nederhoven en Frans Kremers. Deze had de percelen op de hoek van de Markt verworven uit de erfenis van zijn oom Jelis Kremers. In die tijd blijken deze timmerplaatsen nog onbebouwd te zijn. Op de hoek was dat de plaats van het voormalige Tollenaarshuis en daarnaast aan de kant van het stadhuis de plaats van De Kraick. In de Swalmerstraat waren dat nog eens drie kleine huisplaatsen tot aan de gang naar de herengaffel. Kremers ontkende ten stelligste dat Nederhoven hier ook maar enigzins in gerechtigd was. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 116, procesnr. 383.)

timmerplaats

De huisplaats van Het Gulden Cruyts, zoals hierboven beschreven, besloeg slechts een deel van het huidige pand Swalmerstraat 5-9. In de loop der tijd zijn links en rechts en achterlangs belendende percelen toegevoegd. Richting Markt, tussen het huis van de erfgenamen Jan Hoeufft en Het Gulden Cruyts, lag nog een huis- of timmerplaats met moestuin. Mogelijk ter breedte van het huidige winkelgedeelte. Van enige timmer was toen nog geen sprake. Mogelijk dat het huis bij de stadsbrand van 1551 was afgebrand. Een halve eeuw later vertoonde de binnenstad nog vele open plekken. Rond 1600 kwam hier langzaam verandering in en werden deze plaatsen voor en na opnieuw betimmerd.

De huisplaats stond toen op naam van zekere Gerardt Hambach. Het waren zijn erfgenamen, Reijner met zijn vrouw Jenne, tevens namens de kinderen van zijn overleden zus Fije van Hambach, die de timmerplaats in november 1592 voor 190 gulden verkoopt aan Peter Coenen van Swalmen en vrouw Tryne Copkens. Sinds geruime tijd al was de plaats belast met een erfcijns van 5 rijderguldens, af te lossen met 100. Genoemde personen uit de familie Hambach, waren eigenaars van de zogenoemde "Gemuyrden Hoff" te Leeuwen.

- schematische voorstelling van het huis en erf dat Gulden Cruytz van Nederhoven in de Swalmerstraat en van achter uitkomend op De Oever, vervolgens aan Graus c.s., Coolen c.s., en dan Baudrihaye, met ruil in 1629 (Kremers), aankoop in 1631/38 (Copkens), en tenslotte in 1736 (erfg. Saedelmaeckers).





















































|_____
Detail kaart ca.1670.
Duidelijk herkenbaar is het torentje, dat in de beschrijving van 1847 nog genoemd werd.

president Gerardt Graus

Tien jaar later, in september 1622 verkochten mr. Jacob van Nederhoven en Catharina Conings hun huis Dat Gulden Cruytz in de Swalmerstraat met de poortweg, stallingen en de hof met de huisplaats aan de overkant van de straat, en met de last van overpad, voor het lieve bedrag van 1240 rijksdaalders aan raadsheer Gerardt Graus, en vrouw Adriana d'Anthin. De koopsom zegt genoeg over de grootte van het kapitale pand. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 314: overdrachten fol.31.)

In de akten werd raadsheer Graus aanvankelijk genoemd als auditeur van konings Rekenkamer in het vorstendom Gelderland. In juni 1638 blijkt hij te zijn opgeklommen tot superintendant of president van diezelfde Gelderse Rekenkamer in Roermond als opvolger van wijlen Gielis van Elshout.

Voordien (1619) komen we Gerardt Graus tegen als secretaris van graaf Hendrick van den Bergh en als schout (1620) van Echt. In september 1619 kocht Graus voor 1400 gulden het huis naast de stads rosmolen in de Munsterstraat. (GAR: idem, inv.nr. 313: overdrachten fol.297.)

Graus moet nogal geregeld onderweg zijn geweest. Bij de overdracht van het huis was hij al verhinderd en was zijn vrouw namens hem aanwezig. Twee jaar later zat Nederhoven nog te wachten op de voldoening van de koopsom, waarop beslag was aangetekend. Het wachten was op terugkeer van de auditeur, om het geld alsnog te overhandigen, en voor Nederhoven om zijn schuld te kunnen voldoen.

In augustus 1623 kocht het echtpaar Graus voor 5000 gulden en 45 daalders van de gebroeders Joost en Ruth Scheijven een watermolen op de Roer, zijnde een graan-, looi- en volmolen, met het daarbij behorende huis, schuur en tuin, met alle rechten en lasten zoals Diederick Beeck de molen in 1549 had verworven. (GAR: idem inv.nr. 314, fol.53.)

De huisplaats aan de Swalmerstraat kreeg in deze jaren al meer vorm. In maart 1629 werd tussen raadsheer en rekenmeester Graus enerzijds en Frans Cremers anderzijds overgegaan tot een erfwissel. Cremers kreeg eindelijk de timmerplaats met de kelder tussen zijn twee huizen, waarover in het verleden zoveel te doen was geweest, en Graus kreeg in ruil de moeshof achter het Cruys. Daarbij verviel tevens het recht van poortweg. (GAR: idem inv.nr. 314, fol.194vo.)

In 1631, 1633 en 1638 verwierf Graus van de erfgenamen Copkens telkens 1/3 deel van de timmerplaats naast zijn huis op de Swalmerstraat. De plaats is sindsdien deel gaan uitmaken van het uitgebreide pan In Het Gulden Kruis. In 1638 verkoopt superintendant Graus, met instemming van zijn kinderen, de volmolen op de Roer voor 6250 gulden aan de meesters van het schoenmakers-ambt. Vervolgens nam de stad de volmolen over, om die het jaar daarop in november 1639 aan de kartuizers te verkopen. (GAR: idem inv.nr. 315, fol.27, 67 en 150.)

Ook buiten de stad was president Graus rijkelijk gegoed. Voor en na was hij in het bezit gekomen van o.a. de leenzaal van Dieteren met de hof te Beuningen en andere bouwhoven aldaar, pachtgoederen te Echt en Roosteren, de hof tho Muspuede in Maasbracht, zo'n 50 bunders groot, in 1640 aangekocht van baron de Horion en van de erfgenamen van Erp, het vrij-adellijk leengoed de Hoenerhof te Melick, zo'n 200 morgen groot, met jacht- en visrecht en molenrecht op de Roer, en tenslotte de Wielerhof met de landerijen daar omheen, aangekocht van de heer van Hillenraet te Swalmen. De meeste goederen had hij als weduwnaar verworven na het overlijden van zijn vrouw in oktober 1635.

Om moeilijkheden na zijn overlijden te voorkomen, maakte Gerart Graus, superintendant van de Gelderse Rekenkamer, in augustus 1648 zijn testament. Hoofderfgenaam was zijn zoon kapitein Albert Thomas Graus (1620-1656). Maar ook de kleindochter Lucretia Bonecamp bleef niet onbemiddeld achter. Omdat meerdere goederen nog met grote kapitalen waren belast en meerdere onkosten met zich meebrachten, vermaakte hij zijn zoon o.a. ook zijn woonhuis in de Swalmerstraat, met de daartoe behorende tuinen en het onlangs gekochte huisje (lees: timmerplaats) ernaast. (GAR: idem, inv.nr. 353, testamenten I.)

In december 1655 beleenden Albert Thomas de Graus tot Boeningen en zijn vrouw Elisabeth van den Kerckhoven hun huis in de Swalmerstraat met een kapitaal van 1600 gulden bij de freuleijns van Limburg-Stirum. Het geld was nodig voor de aanbetaling van het goed "Schendelen" te Melick van de erfgenamen Daelmans. Het Gulden Cruitz grensde richting markt aan het erf van de erfgenamen Hoeufft, hetgeen nog eens onderstreept dat de huisplaats van Copkens ondertussen deel uitmaakte van huis en erf. (GAR: idem inv.nr. 316, fol.249; idem origineel kladschrift inv.nr. 272.)

Albert Thomas was getrouwd met Isabella van den Kerckhove, dochter van Judocus van den Kerckhove, kanselier van het Hof van Gelder, en Constantia van Ruyssenbergh. In 1651 werd hun dochter Constantia Adriana geboren, vernoemd naar beide grootmoeders.

In juli 1663 werden als eigenaars van het huis in de Swalmerstraat genoemd de erfgenamen van wijlen de president Graus, dus niet op naam van diens zoon Albert of diens weduwe. Zijn dochter stierf op jeugdige leeftijd. Het huis In het Gulden Cruijs is inderdaad overgegaan via de dochter van Maria Clara Graus. Uit haar huwelijk met Hendrick Bonecamp tot Katler was namelijk een dochter, met name Lucretia (1639-1668) geboren. Zij trouwde (1656) met jr. Ivo van Elshout.

Deze laatste meende, dat na het overlijden van Constantia Adriana Graus, de erfgoederen op hem zouden overgaan, omdat met het overlijden de tak Graus was uitgestorven. Uiteindelijk kwam het tot een nieuwe verdeling der goederen. (Meer over deze familie en de erfopvolging: drs. G.Venner Schöndeln een hoeve met verleden, in Roerstreek '75, jaarboek 7 van de H.V.R., blz. 17 e.v.)

De Mispelhof te Maasbracht was aan Albert Thomas Graus toegevallen, terwijl Lucretia, de twee boerderijen in de Linnerweerd waren toebedeeld. Deze en meer andere goederen gingen uiteindelijk over op genoemde jonker en vervolgens op de kinderen uit zijn huwelijk met Lucretia. Volgens het bunderboek van Maasbracht uit 1680 stond de pachthof op naam van de erven van jonker Elshout. Dat was in 1719 ook zo met de goederen te Linne, hoewel ruim daarvoor toch al sprake was van de bouwhof van raadsheer Bernardts.

Het huis van jonker Elshout in de Munsterstraat werd tijdens de tweede grote stadsbrand in de as gelegd. Eind december 1668 verkochten Elshout en zijn schoonvader namens de kinderen de afgebrande huisplaats met de stenen, ijzerwerk, kalk en andere materialen aan Johan van der Heijden, drossard van het ambt Montfort, en vrouw Maria Cox.

Dan was er nog het huis in de Steeg dat wijlen president Graus aan Lucretia bij testament had overgedragen. Dit huis komt in de overdrachts-protocollen van Roermond nergens voor. We moeten ervan uitgaan, dat het om laatgoed van de Voogdij ging. Het is niet te zeggen welk huis Johan Ivo van Elshout tot zijn woonstee had bestemd.

De volgende in lijn was hun dochter Maria Catharina van Elsholt (1657-1722), die op haar beurt trouwde met raadsheer Judocus de Bernardt. In maart 1702 werd deze weliswaar als eigenaar genoemd, maar in feite was het pand toen nog in onverdeeld bezit van zijn vrouw en zijn twee zwagers. Mogelijk gold hij toen wel als hoofdbewoner van het pand. In december 1710 beleende Gerard van Heusden gen. van Elshoudt zijn kindsdeel in het huis aan de Swalmerstraat. Hij was door het Hof veroordeeld tot betaling van 952 gulden plus de kosten van het proces en van de executie ten gunste van dhr. Johan Lambot. Van Elshout was niet bij machte het geld zomaar op te hoesten. Daarom ging hij een lening aan van 300 pattacons met als onderpand zijn kindsdeel in huis, hof, achterhuis, schop, stalling en moestuin op de Swalmerstraat, stadwaarts grenzend aan de hof van raadsheer van Aefferden en aan de andere kant het huis van de erfgenamen van Derick Cruijsbergh. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 323: overdrachten fol.154.) Kort daarop moet van Elshoudt gestorven zijn, want in 1714 trok Lambot bij diens erfgenamen aan de jas, om te voldoen aan de uitvoering van het vonnis.

In december 1722, na het overlijden van zijn ouders, gaf Franciscus Xaverius Bernards de sHertogen Thoren volmacht aan de raadsverant P.I. Janssen naar Brussel af te reizen en aldaar rekening te vragen van de nalatenschap van wijlen Judocus Bernards, gewezen raadsheer van de Grote Raad van Mechelen, met zijn broers en zus over te gaan tot de scheiding der goederen, om vervolgens zijn aandeel daarin te verkopen. Bij eventuele obstakels of weigering van de mede-erfgenamen was Janssen gemachtigd om de rechtsgang te volgen. Tenslotte zou de raadsverwant van de vrijgekomen middelen alle schulden van Bernards hetzij in Brabant of elders te voldoen en daarvan behoorlijke rekening te geven. (GAR: idem inv.nr. 326, fol. 85vo.)

Hetzelfde deed Joseph Egidius de Schillingh, namens zijn vrouw Maria Clara Bernards, voor hun vierde deel in de nalatenschap van zijn schoonzuster Nanno Bernards in rechten te treden.

Uiteindelijk ging het huis in de Swalmerstraat over op de (jongste) zoon Gerard Joseph Bernards. Deze beleende het huis in juni 1725 met 260 pattacons bij de weduwe Zegers van Loon. In het pand was in die tijd het hoofdkantoor gevestigd van de licenten op doorgaande vrachten en goederen. Zo ook nog jaren later in februari 1732 toen het pand wegens de schuldenlast door de deurwaarder van het Hof van Gelder op verzoek van Petrus Luytgens aan landmeter Gerard Coolen werd toegewezen na gedwongen verkoop. (GAR: idem inv.nr. 329, fol.105.) Zelf woonde Gerard de Bernardt toen (tijdens de zomermaanden) op het kasteel Schöndeln te Melick, volgens opgave in juli 1727.

 

watermolens a.d. Roer,
detail kaart 1720
buitengebied Roermond
door Gerard Coolen,
landmeter
(GAR beeldbank F.336)

landmeter Gerard Coolen

Tussen het nieuw verworven pand en het huis van baron de Wittenhorst lagen nog twee huisjes met een moestuin, verhuurd aan resp. Joost Clerx en Lenardt Hox. Landmeter en oud-peijburgemeester Coolen had het plan opgevat om zijn huis nabij de Markt verder uit te breiden. In oktober 1736 kocht hij beide panden voor 60 franse pistolen van Adam Steintgens, raadsheer van de koning van Pruisen aan het Hof te Gelder, en zijn vrouw Anna Cruijsbergh. Tegen een koers ad 10 gulden bedroeg de koopprijs omgerekend toch nog 600 gulden, of mogelijk meer. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 329: overdrachten fol.108.)

Een eeuw daarvoor, belastte de weduwe Metgen Molchters, alias Saedelmeckers, met instemming van haar kleinkinderen de twee huisjes met een grondrente. Haar kleindochter Trijncken was toen getrouwd met Merten van den Cruijtsberg; waarschijnlijk Anna's grootouders. In december 1715 waren het de gezwagers Martinus Cruijsbergh en Arnoldus Willems, elk namens zijn echtgenote, die hun helft in de twee huisjes, tussen dhr. van Elshout en t.a.z. de baron van Neerisse, verkochten aan genoemde raadsheer en eigenaar van de wederhelft. (GAR: idem inv.nr. 325, overdrachten fol. 36.)

Na het aflopen van de huur kon Gerard Coolen beginnen met de uitbouw van het pand met een nieuwe gevel en met een toegangspoort van blauwe Naamse steen. Het gebeurde echter, dat na verzakkingen wegens onderkeldering van de poortweg, er scheuren kwamen in de steen. De metselaar had voor de fundamenten (onderslagh) een dikte van minstens twee stenen moeten maken om het gewicht te kunnen dragen. Nu waren de muren gaan "uijtbulten" en barsten en was de poort aan een kant gaan zakken. (GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 224 procesnr. 2683.)

Gerard Coolen was de jongste en enig overgebleven zoon uit het huwelijk van Johan Coolen en Cornelia Huygens. Evenals zijn vader was hij een ondernemend persoon. Hij had een studie voor gediplomeerd landmeter achter de rug en kreeg al gauw opdrachten van enkele gemeenten in de buurt om de landerijen op te meten. Maar er was meer. Samen met aannemer Jean Collaert heeft hij opdrachten uitgevoerd aan de vestingwerken van Maastricht, Stevensweert en Venlo. Ook was hij peijburgemeester van Roermond en inde hij de belastingen van het smaldeel dat het Oostenrijks Gelderland nog maar was na de Spaanse Successie-oorlog.

Van zijn vader erfde hij de Donckshof in Posterholt, de Mispadenhof in Maasbracht en de pachthoeve in de Linnerweerd, nu bekend als het goed Ravenburg.

Naast het kapitale pand aan het begin van de Swalmerstraat, had hij nog enkele andere huizen in deze straat aangekocht, zoals het ouderlijk huis met poortweg op de hoek van de Hegstraat (nu: Lindanusstraat). Daar woonde naderhand het gezin van raadsheer Janssens, getrouwd met Ida Maria Coolen (1717-1785).

Evenals zijn vader voorheen, verdiende ook Gerard Coolen zijn geld als koopman in wijnen, naast zijn werk als aannemer. En zijn oudste zoon zou de wijnhandel naderhand overnemen. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 429-5538; en 01.013: archief Hof van Gelder te Venlo, inv.nr.1429.)

En dan was er nog het huis de Vrijborg, ook wel De Burgh genoemd, gelegen op de hoek van de Houdtstraat en de Oude Markt te Venlo, een Gelders leengoed. Het huis was afkomstig uit erfenis van zijn vader en mogelijk via Cornelia Huygens, dan wel via zijn stiefmoeder Theodora van Vogel. Middels dit derde huwelijk waren immers goederen te Venlo en Helden meegekomen. Het huis De Burgh was een van de oudste huizen in Venlo. Gerard had het gebouw danig laten onderkomen. Men vreesde zelfs dat het hoekhuis op het punt stond om in te storten. Op diverse plaatsen waren al gaten en scheuren in de muren en losse stenen hier en daar. In drie ramen aan de straatkant ontbraken de vensters. Steunbalken waren vergaan en zo meer. (RHCL te Maastricht, 01.013: archief Hof van Gelder te Venlo, inv.nr. 987.)

Van de zeven kinderen die hun ouders overleefden, waren alleen genoemde Ida Maria en haar zuster Cunera getrouwd. Na het overlijden van hun vader bleven de ongehuwde kinderen in het ouderlijk huis wonen, dat voorheen bekend stond onder de naam Het Gulden Cruyts. Voor het laatst zo genoemd in 1639. Vooral ten tijde van president Graus werd de huisplaats meer en meer uitgebreid met de aankoop van belendende percelen. Kerkmeester Gerard Coolen heeft tenslotte de huisjes met moestuin aan de oostkant aan het pand toegevoegd en het gebouw zijn huidige vorm met toegangspoort gegeven.

De vier ongehuwden maakten, ieder voor zich een testament. In november togen twee schepenen en de griffier naar de Swalmerstraat om de verzegelde documenten in ontvangst te nemen. De opening van deze wilsbeschikkingen is nadien niet meer openlijk vastgelegd. De inhoud blijft voor ons dus verholen.

De erfgenamen Coolen zijn nooit tot een definitieve erfdeling van goederen overgegaan. De meeste bezittingen bleven lange tijd in gemeenschappelijk bezit. Uiteindelijk waren het de gebroeders Janssens en hun ongehuwde nicht Maria Catharina Katz de Katzenthal, in Brno (Moldavia) geboren uit huwelijk van Cunera Coolen (1715-1782) met Adam Joseph de Katzenthal, kapitein in het Koninklijk en Keizerlijk Infanterie-regiment.

wisselende huurders

Het huis nabij de Markt ging in naam weliswaar over op Joseph Janssens, burgemeester van Maasbracht, maar zelf heeft hij er nooit gewoond. Ook niet in zijn kinderjaren. Hij was met vrouw en kinderen verhuisd naar hun buitengoed te Linne. Mogelijk dat nog ten tijde van zijn oud-oom delen van het huis werden onderverhuurd aan derden. Rond 1800 woonde hier het gezin van Anton Burghoff. Het was slechts een tussenstop van enkele jaren. Na de aankoop van een pand op de Varkensmarkt in 1802 verhuisde het gezin daarheen.

Daarna is hier de familie Thomassen komen wonen, met aan het hoofd de eerw. Balthasar Thomassen (1763-1833), kapelaan. Het huis bleef zijn onderkomen, ook toen naderhand nieuwe huurders in het huis waren ingetrokken. Vanaf 1816 was dat het kinderrijke gezin van Petrus de Schrijver, belastinginspecteur, en zijn vrouw Maria Lagaye, hierheen overgeplaatst vanuit Brussel.

Vervolgens woonde hier advocaat Marcel Magnee (1793-1858) uit Horn, voordat hij eind oktober 1832 in het huwelijk trad met Catharina de Bellefroid (1807-1873) uit Tongeren. Het huishouden werd bestierd door een oudere dienstmeid en een huisknecht. De kapelaan behield ook toen zijn eigen vertrekken tot zijn overlijden.

Naderhand woonde hier nog het gezin van Peter Linssen, opzichter van de waterstaat, en vrouw Joanna Jennissen. Naast het (wisselend) dienstpersoneel, woonde hier de kantoorbediende Johannes de Jong. Een deel van het pand zal toen zijn verhuurd aan overbuurman en zakenman J.L. Baudrihaye.

- In de eerste helft van de 19e eeuw werd slechts een deel voor bewoning verhuurd en de bedrijfsruimten vanaf ongeveer 1825 aan overbuurman en zakenman Baudrihaye uit Luik, die hier toen o.a. een zeepziederij begon. Naderhand werd het pand in twee huizen opgedeeld, een voor de eigenaar en het ander als huurwoning. Vergeleken met de huizen links en rechts, waar burgers op stand woonden, hebben we hier te doen met een zakenpand zonder verdere opsmuk: de uitvalsbasis van een ondernemend koopman.

Hier begint de rondleiding door het burgermanshuis midden 19e eeuw.

Jean Louis Baudrihaye

De verkoopakte dd. 18-11-1846 geeft als eigenaren van het pand aan de Swalmerstraat een gedetailleerder beeld van de eigendomsrechten dan blijkt uit de gegevens van het kadaster. De weduwe Janssens-van der Schoor en haar kinderen blijken slechts 2/3 deel van het huis te bezitten. Het resterende deel was inmiddels via Ida Maria Janssens, de weduwe de Leissègues, op haar dochter Caroline overgegaan. Luitenant-generaal Jan Leonard van den Broeck, haar stiefvader, had hiervan weer de helft in vruchtgebruik; dus over 1/6 van de geheel. Jean Louis Baudrihaye telde fl. 6.615 voor het koopmanshuis aan de Swalmerstraat. Nadere bijzonderheden over het huis werden in de akte niet vermeld. (GAR, archief notaris C. Guillon, inv.nr. 14.53, akte 305.)

Genoemde eigendoms-verhouding gold ook voor het huis met de tuin achter de Grote Kerk, dat aan notaris Guillon overging.

Jean Louis Baudrihaye (1791-1875), schipper uit Luik (Quai de Saint Leonard), trouwde in april 1820 met de koopmansdochter Maria G.C. van Wylick uit Kessel (1795-1847). Het jonge paar vestigde zich in Roermond, centraal gelegen tussen de Maassteden Luik en Venlo. In het huis op de Swalmerstraat werden hun 7 kinderen geboren. Het tweede kind stierf kort na de geboorte; bleven Marie, Louis, Caroline, Pauline, Julie en Victor.

Aanvankelijk woonde het gezin nog aan de overkant van de straat in het huis met koetshuis en stalling, afkomstig van Maria van Wylick. (Nu onderdeel van het gemeentehuis.) Daar stond hij aanvankelijk ingeschreven als herbergier. Tevens had de koopman uit Luik een deel van het pand van Janssens in gebruik als centrum van zijn vele ondernemingen.

In maart 1824 kocht de ondernemer het huis De Zwaan in de Voorstad aan de dijkweg naar de Rode Brug, met de stalling pakhuis en twee moeshoven. Precies twee jaar later kocht de ondernemer van bierbrouwer Lambertmont een bergplaats of pakhuis aan de Kraanpoort op de Werf voor 350 gulden. Vervolgens verwierf Baudrihaye nog een huis met smederij en pakhuis in de Ezelstraat. Het was in die tijd dat Roermond bezig was zich te ontdoen van zijn stadswallen, om de blik naar de toekomst te verruimen.

De relatie met zijn geboortestad bleef levendig. Meer nog, in diverse zaken werkte hij samen met zijn vader en broer. Ook met zijn schoonbroer Jacob van Wylick onderhield hij een compagnonschap.

De hout- en kolenhandelaar Baudrihaye bezat verder een zeepziederij en een blauwververij aan de overkant van de straat. Hier had hij van de weduwe Janssens de bedrijfsruimten gehuurd. Ondertussen had hij zich ook in de Roermondse gemeente-politiek genesteld, aanvankelijk als raadslid, en daarna ook als schepen (Belgische Periode) en wethouder. Tevens bekleedde de ondernemer nog enkele maatschappelijke functies, zoals vice-president van de Kamer van Koophandel en president van de Koninklijke Harmonie.


Goederen van Baudrihaye in Roermond anno 1847: linsboven het huis De Zwaan aan het Kruis in de Voorstad;
beneden het huis in de Ezelstraat; grote kaart links de bergplaats aan de Kraanpoort,
rechts de huizen in de Swamakerstraat: H=huis, T=tuin, G=gebouw, Be=bergplaats, Bl=blauwververij.

In november 1846 kocht Baudrihaye van de erfgenamen Janssens het pand aan de overkant van de straat, waarvan hij al zo'n twintig jaar een deel in huur had genomen. Daar was hij ondertussen een zeepziederij begonnen. Het gezin is er meteen ingetrokken nog voor het overlijden van zijn vrouw in april daaropvolgend. Om de belangen van de (minderjarige) kinderen in de nalatenschap vast te leggen, liet hun vader in juli een inventaris opmaken van alle meubelen, goud- en zilverwerk, effecten en papieren. Ook werden alle koopakten van onroerende goederen geïnventariseerd, terwijl de laatste pagina's in de journalen en grootboeken werden afgestempeld. (Zie de link onder aan deze pagina.)

Met de inventarisatie krijgt men een idee van de indeling van het monumentale pand midden 19e eeuw, de meubilering der kamers, van de zeepziederij en tevens van de bedrijvigheid van J.L. Baudrihaye als ondernemer.

Links van de poort lag de voorkamer met drie vensters aan de straat. Daarnaast lag de zaal met twee vensterdeuren, uitkomend op de tuin. Ons oog valt meteen op de mahoniehouten piano. Evenals de voorkamer, was de zaal vooral bestemd voor gezellig samenzijn. In de middenkamer voor de zaal stonden kasten met vooral veel linnen- en serviesgoed. En dan was er natuurlijk nog de grote keuken.

Ook wordt in de opsomming het torentje genoemd, dat al te zien is op de kaart van de binnenstad, ca. 1670 getekend door landmeter Janssen. Baudrihaye liet in 1848 enige verbouwingen uitvoeren. Mogelijk dat het torentje toen aan de belendende vleugel van het huis werd toegevoegd.

Boven waren de slaapkamers, met de gebruikelijke stoffering van tafel, stoelen, kast, commode, lampetkannen en de bedden met nachttafeltjes en voorzien van een bedtroon met gordijnen. De twee dienstbodes sliepen op de meidenkamer en de knecht in de kamer naast de zeepziederij.

In het werkhuis van de zeepziederij stond een grote ijzeren zeepketel met daartoe 2 grote ijzeren bakken, 6 grote stenen bakken, 8 kleine stenen bakken, een grote en een kleine balans, de nodige gewichten en de kleine gereedschappen. Bij elkaar geschat op 2800 gulden. Verder nog een hoeveelheid olie, potasse en zeep. (GAR afd. 1-4: archief notaris C. Guillon, inv.nr. 60-245.)

De nalatenschap liet een veelvoud zien aan onroerend goed verspreid gelegen in en om Roermond. Verder waren er nog een boerderij Sterrebosch in Neer, vele hectaren dennenbos onder Nunhem, de Leukenshoeve met 35 bunders land en bos in Roggel, de Leutert, ook aldaar, en meer dan 40 bunder dennenbos te Kessel, deels uit erfenis. (GAR Memories van Successie Roermond: dd. 14-4-1847.)

En dan was er nog die boerderij te Linne, die het echtpaar al vroeg in juli 1828 had verworven uit openbare verkoop der Domeingoederen: De Breewegshof, ruim 25 bunders met akker- en weiland, een dennenbos op de Hobert en natuurlijk het Vreeveld achter de boerderij, ruim 17 bunder groot.

In 1856 startte Baudrihaye met anderen een lijndienst over de Maas tussen de steden Luik, Maastricht, Roermond en Venlo; met instemming van zowel uit Brussel als uit Den Haag. Wegens de lage waterstanden in die tijd, veroorzaakt door afwatering via de Zuid-Willemsvaart, was men binnen twee jaar alweer genoodzaakt hiermee te stoppen. Men ging toen verder met de stoomboot-dienst tussen Roermond en Rotterdam vv voor het slepen van schepen, waarvoor al in 1854 toestemming was verkregen.

Mogelijk op aandringen van de kinderen werd besloten tot een eerste verdeling der goederen. Dat vond zijn beslag in januari 1870. Jean Louis Baudrihaye, toen nog wethouder en aannemer der publieke werken in de gemeente behield het grote huis in de Swamakerstraat, de Leukerhof en de bouwhof te Linne. In april verkocht hij de Breewegshof met 22 hectare land voor de geschatte waarde van 18.300 gulden aan zijn dochter Caroline Baudrihaye, in september 1859 getrouwd met Francois Mativa (1817-1881), koopman te Luik.

In december 1871 maakte Baudrihaye zijn testament. Op papier werden zijn resterende goederen al verdeeld. Aan zijn zoon Victor zou het pand links van de doorgang toevallen, met inbegrip van de poort, doorvaart, schuur en de hele tuin en zeepziederij met al het gereedschap daartoe. Dochter Julie, in huwelijk met Frans Janssens, fabrikant te Herten, het deel rechts van de poort, vanaf de straat tot aan de zeepziederij. Dit deel bestond uit een kamer en keuken, de stal en het knechtenkamertje.

De vensters en deuren aan de kant van het vorige deel zouden worden dichtgemaakt. Er zou een gemeenschappelijke muur komen en de zolder zou tussen beide delen dichtgemetseld worden.

Tot dit deel zou tevens het huis rechts toevallen met de plaats daarachter en het secreet buiten. Maar daarvoor diende dan een aparte afvoerput te worden gemaakt. Dat deel van het pand was toen al verhuurd als aparte woning aan de dames Houba.

Pauline en Caroline erfden elk de onverdeelde helft in de Leukenshof te Roggel met het land aldaar en te Neer. Hun zus Marie zou haar erfdeel in geld krijgen uitbetaald. Waarschijnlijk dat de kinderen daarom alles in de verkoop te doen en het geld onderling te verdelen.

Dat gebeurde in augustus 1876. Het huis in de Swalmerstraat met de tuin en bijgebouwen ging bij openbare verkoop in z'n geheel over op Jean Berger voor het lieve bedrag van 25.100 gulden. Wijnkoper Jan Joseph Berger (1835-1926), geboortig uit Roermond was in juni 1863 getrouwd met Hortense van Meijel, koopmansdochter uit Venlo.


Aanverwante artikelen op deze site:
- over vader Johan en zoon Gerard Coolen en hun ondernemersgeest;
- uit het verleden van de Breewegshof te Linne: Jean Louis Baudrihaye;
- inventaris van een 19e eeuwse burgermanswoning te Roermond
.