COEN PHEBUS C.S.

Laatst gewijzigd: 30-11-2018 © Jan Ruiten

SCHOENMAKER FEBUS
Brugstraat 3

De twee huizen Brugstraat 3 en 5 zijn kort voor de oorlog in 1936 als één pand nieuw opgebouwd. Enige verbinding met het verleden ontbreekt. Eind 16e eeuw woonden hier nog de gezinnen van Goddert Febus en Johan van Nunhem naast elkaar. Het waren schoenmakers van huis uit, die met hun stiel meer dan een dikke boterham verdienden. Hun nazaten komen we dan in meerdere bestuursfuncties tegen. Het eerste huis werd verkocht aan Dirck van Leeuwen, schoenmaker, en het andere huis ging over op Nunhems schoonzoon Willem Puyll.

Het voormalige pand Brugstraat 3 stond midden 16e eeuw nog op naam van schoenmaker Coen Febus in de Brugstraat. Niet te verwarren met zijn neef schoenmaker Coen Febus in de Steeg. Nadat het huis meerdere eigenaren had gekend, was het uiteindelijk Coen Febus in de Steeg die het huis in de Brugstraat van zijn zoon erfde en in 1601 weer doorverkocht.

Wat betreft de bewoners van de tussenwoning, de familie Febus, krijgen we de gegevens aangereikt door de ruim 70-jarige Heylken in Den Ketel als eerste getuige voor de partij van Johan Joosten. Zij liet weten de familie van oudsher goed te kennen. Heylke had weliswaar Goetse Phoebis niet meer zelf gekend, maar wel diens acht kinderen, waaronder de broers Joost en Coen Foebis. De eerste had een zoon nagelaten, met name Jan Joosten, ofwel Jan Febis die toen in Hans Custers huis te Maasniel woonde. Coen Febis was in de Brugstraat blijven wonen. Zijn dochter Johanna was buiten de stad in tweede huwelijk getrouwd met Aret van Diepenbeck, waarvan twee zoons, Coen en Hendrick van Diepenbeck.

De gebroeders Joost Febus van Leeuwen en Coen Febus in de Brugstraat, beiden zlgr., hadden een neef, ter onderscheiding meestal Coen Febis in de Steeg genoemd. Het huis van Coen in de Brugstraat was ondertussen (1601) verkocht aan Dirck van Leeuwen en vrouw Theuniske.

Ook mr. Daniel Deenen had de gebroeders Febus gekend. Joost van Leeuwen had nog geregeld waren gekocht in de winkel van zijn vader. Hij had nog meegemaakt dat Coen zijn afgebrand huis in de Brugstraat weer nieuw had opgebouwd. Voornoemde dochter Johanna Febis was in eerste huwelijk getrouwd geweest met zekere Jan van Straelen, mr. Michiels zoon. Haar tweede man, Arnt van Diepenbeck had nog als knecht gewerkt bij Claes Martels in de Brugstraat. (Nu nr. 7.)

Ook wist Deenen te getuigen, dat Coen in de Steeg op goede voet had gestaan met de kinderen van Goetze Febus. Hij was erbij geweest toen Coen te kennen gaf dat "Goetzens kynderen die naeste aen sijn goet sollen sijn".


Opgesteld a.d.h.v. de diverse getuigenissen uit 1610. M.b.t. Marie Noyen: HGR inv.nr. 311-f.147 en f.147v.
Coen Febus in de Steeg overleefde alle personen onder hem genoemd, vrouw, zoon en aanhang.
Het huis in de Brugstraat, afkomstig van Geurt verkocht hij in 1601.
Overige erfgoederen gingen over op Coen en Hendrick volgens testament uit 1608.

De derde getuige namens Johan Joosten, betreffende de nalatenschap van Coen in de Steeg, was de 65-jarige Dirck van Leeuwen. Dirck had het huis van Febus in de Brugstraat gekocht. Hij kon zich nog herinneren, dat Coen bij het "keselingen" rapen in de Maas was verdronken. Dat was toen alweer vijftig jaar geleden. Bovenstaande verklaringen werden in januari 1610 afgelegd.


Verwantschap volgens Coen van Diepenbeck en zijn getuigen.
Coen in de Steeg heeft als inwonend gezel bij zijn oom in de Brugstraat het handwerk geleerd.

Coen Febus in de Brugstraat was tot zijn overlijden omstreeks 1560 schoenmaker van zijn stiel. Na het overlijden van schoenmaker Coen in de Steeg in 1609, moesten de opgeroepen getuigen klaarheid geven over wie zijn naaste erfgenamen waren. Hendrick van Diepenbeck beweerde, dat Coen in de Steeg een rechte neef van zijn moeder was, en voorheen bij diens oom in de Brugstraat in de leer was geweest.

Hendrick Bordels, zelf ook schoenmaker, was er ook bij geweest toen Coen in de Maas verdronk. Hij had nog geholpen de drenkeling op de kar te leggen. Hij ondersteunde de beweringen van Coen Aertsen van Diepenbeeck.

De getuigen van wederzijdse partijen hadden dus tegenstrijdige verklaringen afgelegd, over wie de naaste erfgenaam zou zijn geweest van schoenmaker Coen Febus in de Steeg. Diens zoon Geurt was nog voor hem overleden. De erfgenamen moesten derhalve in de zijlijn gezocht worden. (HGR. inv.nr. 380, attesten nr. 1.)

Coen Febus in de Brugstraat stierf voor maart 1563. Dat zou dan aardig overeenkomen met zijn verdrinkingsdood waarvan hierboven sprake was. Zijn weduwe Merricke Neuyen vermaakte in 1563 haar huis op Overen (nu: Pastoorswal) aan zoon Henrich Phoebus en dochter Jenne, getrouwd met Johan van Straelen. Het huis was voorheen door haar vader Hendrick Noeyen aangekocht. Nu werd het huis door diens twee kleinkinderen verkocht aan Joost van Loeffelt. (HGR inv.nr. 311-f.147.)

Vijf jaar later stelde Marie Noeyen haar huis in de Brugstraat tot onderpand van een lening. Als buren werden toen genoemd Johan van Nunhem (nr. 5) en Syll ingen Hoerdewaill, oftewel Syll van Lin (nr. 1).

Het kwam vaker voor, dat personen in diverse akten met een aliasnaam werden vermeld. Dat zien we o.a. bij Joost Febus, die ook wel als Joost van Leeuwen voorkomt. En zoon Jan Joosten was identiek aan Jan Febus, zoon van Joost. Marie Noyen, ook wel Marie Naegelmekers genoemd, trad in augustus 1571 samen op met haar dochter Jenne, dan al getrouwd met Ahret Roeloffz; in het overzicht hierboven als Areth van Diepenbeck vermeld. Zij bestemmen samen dat de 100 gulden waarmee het huis is belast naderhand zullen overgaan op de voorkinderen van Jenne. (HGR inv.nr. 311-f.203v. en f.245.)

Die kinderen werden in 1568 nog met name genoemd, te weten Aeletghen, Baetske en Merricke. In de getuigenissen van 1610 kwamen zij niet meer voor. Toen werden enkel de twee zoons van Ahret genoemd, te weten Conradt en Hendrick Aerdtsen van Diepenbeck.

In april 1584 gaven Roeloffz en zijn vrouw Jenne Coenen(!) het huis in de Brugstraat in pandschap over aan mr. Christoffer van Straelen, barbier. Voor de duur van telkens zes jaar, telkens van Pasen tot Pasen, tegen een pandsom van 100 gulden. Van Straelen en zijn vrouw betaalden ook de jaarrente van 6 gulden aan de kruisbroeders en andere lasten, staande op het huis. Verder was afgesproken dat zij Roeloffs elk jaar een paar toeffelen (pantoffels) zouden geven.

De pandnemers zouden tevens het huis in goede staat houden: alsdat het niet gebroicken noch geschedigt en werde. Naar gewoonte zouden de gemaakte kosten bij de inlossing van de pandschap vergoed worden. (HGR inv.nr. 311-f.370.)

Binnen jaar en dag droeg mr. Christoffer, hier Baertscherers genoemd, de pandschap over aan buurman Gerith Puyll en vrouw Marie Nunhem. In april 1590 werd de pandschap ingelost door Gadert Febus en zijn vrouw Geerte. Zij waren, sinds een half jaar voordien, de nieuwe eigenaars van het huis. (HGR inv.nr. 311-f.380 en f.429.)

Coen Febus in de Steeg was getrouwd met zekere Mercke. Uit dit huwelijk was een zoon geboren met name Geurt; ook wel Goddart genoemd. Die trouwde in eerste huwelijk met Grietgen in gen Vos. Uit dit huwelijk werd kleinzoon Jacob geboren. Goerd hertrouwde nog met zekere Gertruy. Na overlijden van Geurdt, zijn vrouw en hun zoontje, verviel het huis aan zijn vader: Coen Febus in de Steeg. Als langstlevende en zonder lijfs-erfgenamen verkocht de weduwnaar in 1601 het huis in de Brugstraat aan Dirck van Leeuwen. Indien niet verwant, dan toch een goede bekende van de familie Febis. (HGR inv.nr. 312-f.114.)

Coen Febus in de Steeg maakte in augustus 1608 zijn testament in aanwezigheid van Joost Joosten en Joost van Leeuwen, zijn buren. Coen was al oud van jaren, ziek, maar nog goed bij zinnen. Hij had toen geen rechte erfgenamen meer. Zijn vrouw, zoon en kleinzoon waren hem in het graf voorgegaan. Als zijn naaste erfgenamen benoemde hij derhalve Conrardt en Hendrick Aertsen van Diepenbeck. (HGR inv.nr. 313-f.3.)

Wie verder de erfgenamen van Coen in de Steeg zijn geweest, vinden we terug in enkele verkoopakten. In augustus 1810 verkocht Pauwels van Sualenborch c.s. een stuk erf buiten de stadsmuren aan genoemde Dirck van Leeuwen en vrouw. Dat deed hij mede namens de overige erfgenamen. Als naaste verwanten werden in april 1609 in een adem genoemd Enken Coninx van Maasniel, Jan, Henrich, en Coen Febis, Sualenborgh, Mette van Oest, Fije Mullers, Jan Joosten, Arnt Hansen, Syll Crompvoet van Wylre en een nicht uit Aken. Meest inwoners van Maasniel. (HGR inv.nr. 313-f.8 en f.20.)

Goetse Febus, de stamvader, had acht kinderen nagelaten, twee dochters en zes zoons. Ook daarvan waren kinderen en van sommigen kleinkinderen bekend. Toch had Coen in de Steeg besloten dat de kinderen van Jenne Febus, de gebroeders Diepenbeck, van hem zouden erven. De voornaamste reden was, dat de erflater als jongeling was opgegroeid in het gezin van Coen Febus in de Brugstraat. Deze had hem het handwerk van schoenmaker geleerd en "tot eenen man opgeholpen heeft gehadt".


1593-1719
Dirck van Leuwen c.s.

Dirck van Leeuwen...

In april 1593 kochten Dirck van Leeuwen en zijn vrouw Antonia van Hattem voor 2700 gulden een huis in de Brugstraat. De koop ging niet door. Gerardt Cox en zijn vrouw, wegens hun verwantschap met de verkopers, maakten gebruik van het beschudrecht. Het echtpaar Leeuwen kreeg een herkansing een jaar later met de aankoop van de herberg De Vos achter de Leuff op de hoek van het Visserstraatje voor 1228 gulden. In de prille zomer van 1595 verkoopt het echtpaar Leeuwen hun huis op de Berg(straat) voor 490 gulden aan glasmaker Zeller. (HGR inv.nr. 312-f.17 en f.41.)

We schrijven het jaar 1601 wanneer Dirck en zijn vrouw Thoniske voor 120 daalders een huis kopen in het Pelserstraatje. In november dat jaar kocht het echtpaar Leeuwen van Coen Febus (in de Steeg) voor 575 gulden de halve eigendom in een huis aan het begin van de Brugstraat, afkomstig en Coens overleden zoon Guert. In maart 1589 stond het huis nog op naam van Coen van Leeuwen(!). Het is niet bekend of het echtpaar ook de wederhelft op zijn naam had staan. (HGR inv.nr. 312-f.111 en f.114; inv. nr. 311-f.421.)

In meerdere akten treedt Dirck van Leeuwen samen op met telgen uit de familie Febus, hetzij in gezamenlijke aankoop als in verdeling van goederen, o.a. Goert Febus (z.v. Coen) en vrouw Geerte. Alles wijst er op dat hij (mogelijk via Joost Febus van Leeuwen) nauw verwant was aan wijlen Coen Febus in de Brugstraat. Uit eigen hand vernemen we dat hij omstreeks 1545 geboren is. (HGR inv.nr. 380-1.)

De herkomst Thoniske van Hattem wordt beschreven in een proces voor het Hoofdgerecht anno 1603, hier Thoenke genoemd. Zij was geboortig uit de Betuwe als een van de zeven kinderen van Jan en Bely van Hattem. Haar zus Geertruyt was getrouwd met Bernt van Gangelt. (HGR inv.nr. 107-137.)

In ruil voor het huis in de Pelserstraat ontvingen Dirck en Theuniske het 20e deel in de kerkentienden van Haelen en een klein deel van de Kerkengriend aldaar. Dat was in de eerste week van 1603. Zij hadden al meerdere kleinere stukken land buiten de stadsmuren gekocht in de loop der jaren, toen er in juni 1607 ruim 10 morgen land op de Exterencamp bijkwam voor een bedrag van 3000 daalders. (HGR inv.nr. 312-f.139 en f.213.)


Coop(penningen) 3000 daler... thien morgen...

In april 1611 blijkt, dat Dirck van Leeuwen zijn huis in de Brugstraat had belast met een jaarcijns van 7 gulden 10 stuivers, jaarlijks te betalen aan de koster en de twee zangers van de sacramentsmis op het Noenhof.

Naderhand krijgen we te horen, waar Dirck de familie Febus van kende. Zowel Coen Febus in de Steeg als zijn naamgenoot in de Brugstraat waren schoenmaker van hun stiel. In december 1612 werd Dirck van Leeuwen genoemd als een van de vier meesters van het schoenmakers-ambacht, dat zijn jaarfeest vierde op st. Crispinus en st. Crispinianus-dag (25 okt.).

Volgens een korte notitie blijkt dat Dirck niet alleen schoenmaker was, maar tevens leerlooier. In juni 1642 is sprake van een looikomp te BuitenOp in het Loos, afkomstig van Dirck van Leeuwen zlgr. (HGR inv.nr. 315-f.204.)

Naderhand, in 1624, stond het huis op naam van hun zoon Thijs van Leeuwen, waarschijnlijk mede namens de overige kinderen. Zeven jaar later immers werden de erfgenamen Dirck van Leeuwen als eigenaar genoemd. En dan was er nog de buitenplaats te Maasniel aan de Broekhin, genaamd de Brandewijer, waarvan het echtpaar Leeuwen mede-eigenaar was. Waarschijnlijk werd hiermee bedoeld de kamp van 5 bunders, die de weduwe en haar zoon Mathias in februari 1624 hadden aangekocht. Kort daarop wordt Matthis van Leeuwen genoemd als burgemeester van Roermond. Hij was tevens laatschepen van de Voogdij.

De welstand van schoenmaker Van Leeuwen en zijn vrouw blijkt wel uit een akte anno 1627. Naast het vele land dat het echtpaar tijdens hun huwelijk had verworven kwam er nog een lapje grond in het Roermondse veld bij. Het was een schenking van de overheid. Toen de stad jaren voordien in grote nood verkeerde, was het echtpaar bijgesprongen met een lening van liefst 3600 gulden tegen een lage rente. (HGR inv.nr. 314-f.165.)

Naast verdere aankopen deed Anthonia van Hattem in 1629 een schenking van 600 gulden aan de huisarmen van de stad. In ruil zou het armbestuur eeuwiglick elke week twee aalmoezen uitdelen. Ook daarna blijkt, dat de vrouw buiten haar uitgebreide grondbezit ook nog goed van contanten was voorzien.

Dirck van Leeuwen was eveneens mede-eigenaar van het opgedeelde landgoed Groot Hoosden te Sint-Odiliënberg, afkomstig van Johan van Elmpt (1551). Dirck werd in 1616 en 1626 genoemd wegens zijn huisplaats aldaar, dus mogelijk onbebouwd. De overige eigenaren van het voormalige Groot Hoosden waren erfgenamen van Johan van Elmpt. Bij het echtpaar Leeuwen-Hattem is dat (nog) niet aangetoond. (NB. De jezuïeten bouwden boerderij en buitenhuis Hoosden in 1663 niet op de voormalige huisplaats van Groot noch van Klein Hoosden! Beide moeten gezocht worden op de hoogrand van het Roerterras achter het moeras en waren al lang voordien in verval geraakt.)

Naast hun zoon burgemeester Mathias van Leeuwen, in huwelijk met Anna Reynkens, de zus van pastoor Peter Reynkens te Herten, was er nog de dochter Maria, in huwelijk met Mathias Creyarts, erfgename van genoemde goederen aan Brandewijer. Creyarts hertrouwde met Anna Bosmans.

(Er was in die tijd ook een echtpaar Mathias van Leuwen en Neul van Aeken. Deze Mathijs werd in meerdere akten genoemd als zoon van Joost van Leeuwen!)

1648-1719
van Aerschot c.s.

Paul van Aerschot...

De licentiaat Johan Baptist de Haen, voogd van Cruchten, Brempt en Wegberg, werd begin april 1641 als eigenaar van het huis genoemd. Hij was toen dus al getrouwd met Catharina Creyarts, in 1618 geboren als oudste dochter van het echtpaar Creyarts-Leuwen. Of zij ook hier gewoond hebben, is niet bekend.

In het doopboek komen zij als ouders pas in 1647 voor. De jaren daarvoor heeft het gezin in Neder-Kruchten gewoond waar de drie oudste kinderen werden gedoopt (tussen 1640 en 1647). Na terugkeer in zijn geboorteplaats werd Haen tot schepen te Roermond benoemd.

In januari 1648 verkocht het echtpaar Haen het huis in de Brugstraat voor 1150 gulden aan Paul van Aerschot en Margriet Coeckels. Het huis was belast met een erfrente van 17½ stuivers aan het brouwers-ambt. Van de koopsom zou uiterlijk met Halfvasten 600 gulden betaald worden, terwijl de rest als lening op het huis zou blijven staan. (HGR inv.nr. 316-f.67.)

Het echtpaar Aerschot-Koukels was in juli 1642 getrouwd. Zij beleenden het huis in januari 1663 opnieuw met 200 rijksdaalders bij Catharina Peters de Lange, de schatrijke weduwe Spee.

In januari 1659 werd het huis naast De Keizer in de Neerstraat door schout Randenraedt bij opbod verkocht op verzoek van voornoemde Paul van Aerschot. De eigenaar van het pand was Aerschot nog 271 gulden schuldig gebleven en was niet bij machte de lening af te lossen. Het Hoofdgerecht had in november tot de openbare verkoop besloten. (HGR inv.nr. 317-f.40.)

In april 1666 assisteerde Paul nog zijn schoonzuster, die aan de overkant van de straat woonde. In februari 1667 is sprake van de weduwe en kinderen van Paulus van Aerschot zlgr. Uiteindelijk blijkt het dan de oudste zoon Johan van Aerschot te zijn, in 1684/85 getrouwd met Maria Puess. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren, Margaretha (1685-1732).

In de visitatielijst van omstreeks 1677 staat hier de winkelierster, de weduwe Aerschot genoemd met inwonend haar zoon en een meid. De indeling van het pand was als volgt. Vooreerst een middelgroot voorhuis (winkel) met daarachter een dito keuken. Op de tussenverdieping een hangkamer en daarboven de zolder. De beschrijving geeft aan, dat deze woning niet veel groter geweest zal zijn dan de aanbouw van Brugstraat 7. (GAR, Oud-Archief inv.nr.965, visitatie van huizen ca.1677.)

Dclla Joanna Margareta van Aerschot trouwde in oktober 1708 met dns. Gossuin Geelen, "secretarius dominy de DalenBroeck" vanaf 1706 tot zijn overlijden eind 1727. Hij was toen tevens secretaris van Swalmen. Het echtpaar kreeg negen kinderen. Onder de doopgetuigen komen we meerdere functionarissen tegen, die in Roermond, of daarbuiten hogere functies bekleedden.

Mocht het gezin Geelen hier zelf gewoond hebben, dan in elk geval niet voor lang. In februari 1719 werd het huis voor 450 pattacons, Spaans geld, verkocht aan het echtpaar Jacob Crous en Catharina Jurgens. De woning van secretaris Geelen was gelegen "nabij de markt". Bovenstaande reconstructie was vooral middels een korte notitie uit deze akte te achterhalen. Daarin werd terloops gebezigd dat het huis afkomstig was van de weduwe Peus zlgr. In de overdrachten wordt het echtpaar Aerschot-Peuss zelf niet genoemd i.v.m. dit huis.

Het echtpaar Krous-Jurgens blijft kinderloos. Oud van jaren, volgens de akte opgemaakt in juni 1745 zo'n 70-80 jaar oud, schenken zij hun woonhuis in de Brugstraat met de meubels en de overige spullen aan (beenhouwer) Mathis Thijssen en vrouw. Daar tegenover beloven de begunstigden het echtpaar in kost en kleding en overige zorgen te onderhouden en hen beiden naderhand een oprechte begrafenis te bezorgen. (HGR inv.nr. 331-f.167.)

Jacob Kraus stierf nog diezelfde maand, twee weken na het opmaken van de akte. Toen werd opgemerkt dat beiden "wesende gesont en wel te passe, gaende ter steegen ende straeten" en hun verstand nog volkomen machtig. Zijn vrouw overleefde hem vele jaren. Catharina Jurgens, de weduwe Crous, stierf in februari 1765 op hoge leeftijd in haar woonhuis in de Schoenmakersstraat.

Mathis Thijssen was in april 1732 in de kerk van de minderbroeders getrouwd met Anna Maria Beurskens. (In de overdrachten: Broerkens en Bruerkens genoemd.) De daarop volgende jaren werden twee zoons en een dochter geboren. Catharina Jurgens was al in 1736 getuige bij de doop van de tweede zoon, hetgeen er op kan wijzen dat beide echtparen al geruime tijd met elkaar bekend waren voor de overdracht in 1745. Mogelijk was Jacob het vierde kind. Mathis en zijn vrouw werden beiden rond 1760 als doopgetuigen genoemd in het gezin van Jacob Thissen en Agatha Jeurissen, waarvan een zoon en een dochter naar hen vernoemd werden.

In mei 1755 kocht het echtpaar Thijssen-Breuckens een huijs met een kleen achterplaetsken, privée, ende hoofken in de Schoenmakersstraat voor 175 pattacons. Uit de akte blijkt dat beenhouwer Thijssen geboortig was van Maasniel. Hij was de zoon van Joost Thijssen en Liesbeth Severijns, de weduwe Thomassen. Dat verklaart waarschijnlijk dat schepen Andries Bremmers uit Maasniel als hun bemiddelaar optrad. Van de koopsom werd een aanbetaling van 57 pattacons contant gedaan. Het overige geld bleef als hypotheek op het huis staan. (HGR inv.nr. 334-f.119 e.v. Zie ook Jan Ruiten: Onder den Klockenslagh blz. 435 en stamboom Thissen blz.432.)

Kort daarop stonden Mathias Thijssen en vrouw garant voor zijn broer Joannes Thijssen als aan pachter van de vlees- en pelser-accijns in de stad, ingaande met St.Petrusstoel (22 februari) 1758 tot dezelfde dag in 1759, ten bedrage van 3100 gulden. (HGR inv.nr. 335-f.79.)

Het echtpaar Thijssen-Breurkens is inderdaad in de Schoenmakersstraat gaan wonen. Mathias stierf in november 1774. Zijn weduwe volgde hem enkele jaren later, in april 1779, in het graf.

Het huis in de Brugstraat stond in oktober 1774 op naam van Goswin Schoncken en Hendrina Rosmael. Zij hadden toen al een huis aan de overkant van de straat. Dat blijkt ook uit een akte opgemaakt in januari 1803. Het is niet bekend wanneer zij het huis van Thijssen verworven hebben.

De gegevens komen o.a. uit het archief van notaris Crispin. De hoogbejaarde Mechteld Schoncken (1720-1806), weduwe van Jan Severijns, ging toen over tot verkoop. Het huis was gelegen tussen erf van Henri Eysingh en het hoekhuis van Sibert Kerckhoven. Haar huis grensde met de kleine achterplaats tegen het huis van Henricus Severijns in de Neerstraat. (GAR, I.4 notaris not. J.C. Crispin, 9.7 volgnr. 30, dd. 10-1-1803.)

De nieuwe eigenaars waren zadelmaker Hendrik Geenen en vrouw Maria Agnes Dircx. Met het huis namen zij tevens de vaste lasten over. Dat was naast de koopsom van 720 franc, de rente uit een kapitaal van 800 franc plus de overige (niet genoemde) lasten. (Verhouding franc en pattacon 4 : 1.)

Foto anno 1974. Links het pand Elgozo (bouwjaar 1936), voorheen Brugstraat 3 en 5. (Rijksdienst Cultureel Erfgoed.)

De panden Brugstraat 1, 3 en 5 grensden tot ver in de 17e eeuw aan twee zijden, namelijk achterlangs tegen het huis (in de Neerstraat) en rechts aan de opvaart van schepen Dirck Cocx, vervolgens van diens schoonzoon Rick Stijns c.s. De opvaart werd omstreeks 1600 door Stijns bebouwd. Dat is het smalle huis tussen enerzijds het pand Elgozo en aan de andere kant het gotische huis, waarvan het sinds jaar en dag deel uitmaakt.

 

1779: nr. 147 Jan Severijns, kremer; 1801: huisnr. 183 wed. Jan Severijns; 1812: huisnr. 186 H. Geenen; 1821: D.851 Henri Geenen; 1843: D.682 Hendrik Geenen, zadelmaker.