............ Gouvernement

 

Laatst gewijzigd: 20-09-2015 © Jan Ruiten

VAN EEN PRINS
O
P ZOEK NAAR ZIJN PRINSENHOF

De oude postmeester Gossen van Dulcken, weduwnaar, woonde tot voor kort nog alleen in zijn statige woning aan de Markt. Hij was ziek, moest het bed houden en dagelijks medicijnen nemen. Hij kon het niet verdragen, die plotselinge drukte in zijn huis. De prins van Nassau, als stadhouder van het Overkwartier, was met vrouw en kinderen en met het voltallige dienstpersoneel in het huis van de oude man komen wonen.

Secretaris Van Dulcken behield alleen de kleine kamer onder de trap. Het zou niet goed zijn, dat hij zo kort voor zijn sterven nog zou moeten verhuizen. Het pand dat men voor het verblijf van de gouverneur had gekocht, beviel de vorst niet. En dus was de nieuwbenoemde gouverneur in het grote huis aan de Markt neergestreken. Uiteindelijk vonden de heren Staten van het Overkwartier een ander pand elders in de stad, groot genoeg om de vorst en zijn gezelschap voor jaren te herbergen. Zo dachten zij...

 

Het oude Prinsenhof op de hoek van de Lage Hegstraat was bij de grote stadsbrand eind mei 1665 verloren gegaan. Het gebouw had tot dan toe dienst gedaan als woning van de stadhouder van de landsheer, de koning van Spanje als hertog van Gelder. Philip Baltasar van Gent, prins d'Isenghien (1616-1680), stadhouder sedert 1652, was daarop in Venlo gaan wonen. Een tijd lang werden de kwartierdagen ook daar gehouden in plaats van in de hoofdstad Roermond.

Wanneer in de daaropvolgende jaren opnieuw sprake was van het gouverneurshof, werd daarmee waarschijnlijk bedoeld het huis van dhr. Bitot, gouverneur van de stad.

Nassau-Siegen
De ambtswoning van de stadhouder...
In februari 1680 stierf de prins d'Isenghien. De stadhouder van Zijne Majesteit de koning van Spanje als hertog van Gelre, had hij zijn verblijf na de stadsbrand verlegd naar Venlo. Enkele weken na zij overlijden werden zijn meubels door de voerman Leonard Everts van daaruit met drie karren volgeladen naar Brussel overgebracht.
(RHCL te Maastricht: 01.001 archief van de Staten van het Overkwartier Gelder, inv.nr. 88-f.193.)

Op 15 april werd alvast het huis van de weduwe Maenen in de Swalmerstraat gekocht, als onderkomen voor de toekomstige stadhouder. Men vond deze optie goedkoper uitvallen dan de 400 pattacons aan huurkosten die men tot dan toe aan de prins d'Insenghien had betaald. Daarbij werd er wel van uitgegaan, dat zijn opvolger niet de gewoonte zou hebben, om daar bovenop in de plaatselijke herbergen de maaltijden te gaan gebruiken. (Staten Overkwartier, inv.nr. 88-f.188 en f.216.)

Medio augustus kwam het bericht binnen dat tot nieuwe stadhouder van het Overkwartier benoemd was Johann Franz, Fürst von Nassau-Siegen, voorheen stadhouder van het hertogdom Limburg. Gelijktijdig werd hij in zijn vorige functie opgevolgd door Henri Louis E. prince de Ligne, zoon uit het huwelijk van zijn zuster Clara Maria, prinses van Nassau-Siegen met Albert Henri, prince de Ligne. (Staten Overkwartier, inv.nr. 88-f.214.)

Uit de benoemingsbrief: "Carel, bij der gratie Godts, Coninck van Castilie, van Leon, van Arragon, van beijde de Sicilien, van Hierusalem, van Nevarre, van Grenade, van Toleden, van Valencien, van Gallicum, van Maillorquen, van Sucilien ende Sardaigne, van Cordue, etc. etc. Hertogh van Burgundien, van Lotrick, van Brabant, van Limbourgh, van Luxembourgh, van Gelre ende van Milanen etc. dat onsen gelieven ende getrouwen neve den prince van Nassau ende des Heijligh Rijckx, grave van Catsinkelboghen, ridder van onse ordre van den Gulden Vlysen, edelman van den Camer van den Keijser, stadthalder ende capiteijn generael van onse lande ende hertoghdomme van Limbourgh, Valckenbourgh, Daelhem, 'sHertoghenraede, ende andere onse landen van Overmaese ... benoemen tot onsen stadthalder generael van den landen ons toebehorende in't Hertochdom van Gelre ende sijne dependentien, vacerende door de afflijvicheijt van wijlen den graven van Issinghien, prince van Mamisnes, gevende hem volcomen macht, authoriteijt ende sonderlingh bevel 't voorss. stadthalderschap te houden, exerceren ende bedienen, onse hoocheijt, heerlicheijt, incommen, vervallen ende domeijnen van onse voorss. landen te bewaeren, die baenreheeren, gemeijne ridderschappe ende steden, edelen ende onedelen, geestelijcken ende wereltlijcken, armen ende rijcken, ende alle andere onse ondersaeten ende inwoonenden aldaer, te houden ende regeren in goede justitie, bij heure lantrechten, privilegien ende vrijheden ... goede sorghvuldige toesicht te nemen, soo in't corrigeren ende straffen van Lutherianen, Herdopers ende andere ketters, ... als oock om te bewaeren onse steden, huijsen, slooten, ende sterckten van de voornoemde landen, ons toebehoorende in't voorss. Hertoghdom van Gelre ende sijne dependentien...." Madrid, 20 mei 1680.

Het duurt dan nog tot februari 1681, dat François de Nassau in de grote raadskamer van het stadhuis in volle vergaederinghe van ridderschappe ende steden de eed aflegt van een getrouwe stadhouder, zoals in de benoemingsbrief nader verwoord. (Staten Overkwartier, inv.nr. 88-f.228 e.v.)

 

Zijne Excelentie was trouwens al geruime tijd daarvoor met vrouw en kinderen en de hele hofhouding in Roermond aangekomen. Twee vrachtvoerders waren aangezocht om met 2 en 3 karren de spullen van de nieuwe stadhouder vanuit Brussel naar Roermond over te brengen. Het huis van de weduwe Maenen was te klein en moest nodig met nieuwe aanbouw voorzien worden. Maar de prins van Nassau heeft er geen nacht in doorgebracht. Hij had zijn oog laten vallen op het grote huis van de oude postmeester Goetse van Dulcken aan de Markt/Varkensmarkt.

Het huis van secretaris en postmeester Goetse van Dulcken (1610-1681) was na de stadsbrand nieuw en groot opgebouwd. In mei 1661 had het echtpaar Dulcken al de woning twee huizen verderop gekocht van Elisabeth Bosman, dochter van wijlen de secretaris Peter Bosman. In september 1665 kocht de postmeester het tussenpand, of wat daar nog van over was, van peiburgemeester Adam Baenen en vrouw. Dit pand was overigens afkomstig van de oude Gossen van Dulcken, die het in 1581 had verkocht. Van Dulcken liet de drie huizen tot een groot pand ombouwen, waar ook ruimte was voor de koninklijke posterijen. Dit grote statige pand aan de Markt trok in december 1680 de aandacht van de nieuwe stadhouder, die niet tevreden was met het pand, dat de heren Staten voor hem hadden aangekocht.

Op 16 december 1680 hield de prins van Nassau bij het aantreden van zijn gouvernement groot banket in de grote zaal van herberg De Bovenste Drye Croonen van Mathijs De Bruijn. Zonder de gastenlijst te hebben ingezien, mogen we aannemen dat de heren van de Ridderschap en Steden en overige hoogwaardigen met gevolg daarbij aanwezig waren. De rekening voor de Staten bedroeg 480 pattacons, ofwel 1152 gulden. De waard zat twee jaar later nog op zijn geld te wachten. Uiteindelijk werd besloten om de helft met Kerstmis 1683 en het restant een jaar later te betalen. (Staten Overkwartier, inv.nr. 89-f.154v. en f.174.)


Het huis van de oude postmeester Dulcken op de Markt.

Van een vorst die een huis kraakte...
Het huis dat de heren Staten hadden aangekocht van de weduwe Maenen, werd door de nieuwe stadhouder meteen afgeslagen: ne trouvant pas de toute la satisfaction dans la maison. Hij ging toen zelf op zoek naar een andere woning, die meer geschikt was als tijdelijk verblijf. Na enig zoeken viel de keus al gauw op het huis van de oude postmeester Gosswijn van Dulcken (1610-1681) aan de Markt. Op 19 december liet de prins zich door auditeur Van der Vrecken door het grote huis rondleiden, ondanks het tegensputteren van de oude weduwnaar, die toen al te ziek was om zijn bed uit te komen.

De volgende dag kwamen soldaten en knechten van de prins op enkele karren aanrijden en brachten de kisten met de garderobe en de overige persoonlijke spullen van de nieuwe bewoners naar binnen. De protesten van de bejaarde man en vervolgens de tussenkomst van zijn schoonzoon, postmeester Johan de Bors, bleven zonder resultaat. Laatstgenoemde en zijn schoonbroer hadden Zijne Excellentie ondertussen een ander passend huis aangeboden, maar de prins had zijn zinnen gezet op het grote huis aan de Markt. François de Nassau en zijn vrouw verzekerden de oude postmeester, dat zij slechts enkele weken, pour quelques semaines in zijn huis zouden logeren, tandis qu'il auroit un autre logis commode; tot zij een ander passend huis hadden gevonden.

Dulcken betoogde dat hij als dienaar van de staat, gedurende meer dan 40 jaar, il n'avoit point attendu ce coup lá dans sons liet de mort. Een aanslag op zijn leven had de zieke man, die al sedert vier maanden het bed moest houden, niet verdiend. Op 21 december namen hunne hoogheden hun intrek in het huis aan de Markt avecq toute leur famille. Voor postmeester Dulcken bleef alleen de kleine kamer onder de trap over, waar hij in elk geval beschud was tegen de kou. De 70-jarige op zijn doodsbed, die toen al bediend was, wist dat hij niet meer lang te leven had, maar de drukte in zijn huis zou de dood zeker bespoedigen. Een noodgedwongen verhuizing zou hij niet overleven.

Postmeester de Bors vroeg de Staten om het Hof te Brussel in te schakelen, en de bisschop beloofde bemiddeling van de Paus te vragen. De heren Staten deden middels een schrijven van Kerstavond een dringend beroep, nee, zij voelden zich gedwongen om de prins van Nassau te gelasten, het pand meteen te verlaten, de sortir promptement de la maison, et de se contenter de cette, que les Etats lui ont acheté; en zich tevreden te stellen, met het huis dat zij voor hem hadden aangekocht. Hij diende het huis, waar hij met geweld was ingetrokken, où il s'est logé de force, te ontruimen. (Een kraakpand dus.) Was getekend, A.A. marquis de Hoensbroeck en J.D. de Geloes, namens de ridderschap, en Martin van der Veldt en B. van Leeuwen, namens de steden. (Staten Overkwartier inv.nr. 468.)

Postmeester Gossen van Dulcken stierf enkele weken later...

 


Het huis van de weduwe Maenen op de hoek van de Swalmerstraat en de Bethlehemstraat.

Swalmerstraat 50
voorkant

Het huis van de weduwe Maenen...
In afwachting van de benoeming van de nieuwe stadhouder werd op 15 april 1680 alvast het huis van de weduwe Maenen in de Swalmerstraat aangekocht tot ambtswoning. Men vond deze optie goedkoper uitvallen dan de 400 pattacons aan huurkosten die men tot dan toe aan de prins d'Insenghien had betaald. (RHCL te Maastricht: 01.001 archief van de Staten van het Overkwartier Gelder, inv.nr. 88-f.188 en f.216.)

Helena Dolmans, de weduwe Maenen, had het huis voorheen aangekocht van de weduwe de Stuckere. Huis, hof en stalling waren gelegen op de hoek van de Swalmerstraat en de Bethlehemstraat. Verkoopster werd daarbij geassisteerd door procureur Cuijpers, met volmacht van haar zoon mr. François Joseph de Stuckere, drossard van Brabant. Alles volgens koopcontract uit mei 1670. In 1655 was nog sprake van een huis met de nieuwe tuin, steenweg, kookhuisje, schuur en stalling.

In april 1680, dus nog voor de benoeming van de nieuwe stadhouder, hadden de heren Staten van het Overkwartier het besluit genomen, om het huis te kopen. Dat vond zijn beslag in augustus daaropvolgend, voor de som van 4.500 rijksdaalders, plus 50 pattacons verteerpenningen aan de verkoopster. (GAR, archief Hoofdgerecht inv.nr. 318-f.187.)

De heren Staten moeten zeer teleurgesteld zijn geweest, toen de prins van Nassau-Siegen het pand resoluut afkeurde. Ook nadien is hij daar nooit meer van terug gekomen.

Swalmerstraat 50
achterkant






(foto's GAR: beeldbank)

Ondertussen werden de verbouwingen aan het huis, "dat hij absolutelijck in hetselve nyet en wilde intrecken", desalniettemin voortgezet. Tenminste, op papier. In september 1682 was men nog steeds niet begonnen aan de uitbreiding van het huis. Naar een model van meester-timmerman Christiaen Herwechs en met instemming van Zijne Excellentie zouden twee onder- en bovenkamers aan het huis worden toegevoegd. (Staten Overkwartier inv.nr. 89-f.128.)

De verbouwing bleek volgens deskundigen echter "veel hoogher compt te beloopen, als men wel hadde vermeijnt". Daarom werd besloten alleen de werkzaamheden die de afzonderlijke ambachtslieden zouden uitvoeren, ook afzonderlijk uit te besteden. De aanschaf van de materialen werd daarentegen opgedragen aan de syndicus van de Staten.

Tijdens de aanbesteding, bleek dat met de ambachtslieden niet viel te onderhandelen, "sich in redelijckheijt nyet en willen laeten handelen", en werden vervolgens andere meesters aangeschreven.

Verder was men van zins, om het huis met de schuur ernaast aan te kopen. Het huis van de stadhouder was immers geen doorsnee burgermanswoning. Hiertoe werd de burgemeester verzocht te bemiddelen betreffende de koopsom. Mocht de vraagprijs echter te "exorbitant" uitvallen, dan zou het stadsbestuur, de magistraat, moeten ingrijpen en onteigening overwegen: "door authoriteijt van't Magistraet deser stadt doen affstaen". (Staten inv.nr.89-f.120.)


Onder het huis van dhr. Zoutelande op de Steenweg.
Boven de twee huizen van resp. de weduwe Bordels en van de erfgenamen Van der Heijden.
(nu Munsterstraat 8 en 10)

Een nieuw huis voor de gouverneur...
Tijdelijk verbleef de nieuwe stadhouder in het huis van burgemeester Zoutelande op de Steenweg. Juiste data zijn daarvan niet te geven. Jonker Gerardt van Zoudtelande, sergeant-majoor ten dienste van de koning van Spanje, en vrouwe Margaretha Albada hadden het huis Die Kirch in maart 1657 aangekocht van de erfgenamen van Hendrickske van der Velde, de weduwe Camp. In 1660 voegde het echtpaar het huis ernaast aan hun woning toe. Daarna werden grote verbouwingen uitgevoerd. Helaas viel het huis ten prooi aan de grote stadsbrand. Met nieuwe leningen kon het echtpaar Zoutelande hun woning aan de Steenweg meteen nieuw opbouwen.

De stadhouder verbleef er slechts tijdelijk. Voor een vorst van Nassau-Siegen moet het behelpen zijn geweest. Nadat de vorst was verhuisd, kwam burgemeester Zoutelande met een gepeperde rekening ad 270 pattacons voor het uitgeleefde huis, wegens huur, reparaties en overige schade. (Staten Overkwartier inv.nr. 89-f.117.)

Munsterstraat 8 en 10

De heren Staten lieten hun oog vallen op het huis van Ida Spee, weduwe van wijlen advocaat Thomas Bordels, in de Munsterstraat. In het verleden stond dit huis bekend als De Rode Poort. Ida Spee was een achterkleinkind van genoemde weduwe Camp. Het huis is eveneens afkomstig uit de nalatenschap van de weduwe in Die Kirch.

Ook het huis ernaast, op naam van de kinderen van wijlen Johan van der Heijden, in zijn leven drost van het ambt Montfort, werd eind november 1681 door de buurman, notaris Johan van Hillen, onder en boven bezichtigd. Hij deed dat in gezelschap van twee meester-timmerlieden. Zij kwamen tot de conclusie, dat het huis zich toen "overall in seer goeden staet" bevond. Aan de zolder, het muurwerk, vensters en ramen, vloeren, schouwen en pleisterwerk was niets aan te merken. Alleen de pomp in de keuken gaf geen water. Dat was dan ook het enige. (Staten Overkwartier, inv.nr. 264.)

En vervolgens kon François de Nassau, in derde huwelijk getrouwd met Claire Eugénie du Paget de la Serre, zijn meubels en verdere inboedel laten overbrengen naar het huis van "madame Bordels" en van de erfgenamen Van der Heijden. Het huurcontract van beide woningen liep af met St.-Remigius (1 okt.) 1684.

Maar een vorst van Nassau-Siegen was niet gauw tevreden te stellen met een burgermanswoning. Nog geen anderhalf jaar later, nog voor de huurtermijn was afgelopen hield hij het voor gezien en verhuisde hij (april 1684) met zijn gevolg naar het Prinsenhof te Venlo, waar ook zijn voorganger gewoond had.

In september 1684 kwam bij de Staten een schrijven binnen vanuit Venlo: "Geefft eerbiedentlijck te kennen den aenwesenden borghemr. der stadt Venlo Johan Holt, hoedat deselve stadt genootsaeckt is geweest, ende alnoch wordt, te doen verscheijde noodige reparatien aen het hoff waerinne Sijne Exc.ie den heere Prince van Nassauw, stadthouder deser provincie, teghenwoordighlick tot Venlo woont..."

Johan van der Heijden, drost van het ambt Montfort, en zijn vrouw Maria Clara Cox hadden de afgebrande huisplaats met de tuin, samen met de resterende materialen zoals stenen, kalk en ijzerwerk, in december 1668 aangekocht van Johan Ivo van Elshout en diens schoonvader, als voogd van de kinderen. (GAR, archief Hoofdgerecht, inv.nr. 317-f.226.)

In oktober 1669 maakte de drost met zijn buurman Bordels enkele afspraken, met betrekking tot de erfafscheiding tussen beide huizen. Zo mocht Van der Heijden geen gaten laten breken in de zijmuur van zijn buurman, om houten steigers of balken te plaatsen, maar alleen gaten boren voor de ankers. Mocht de muur na de werkzaamheden gebreken vertonen, dan was het herstelwerk eveneens voor zijn rekening. Hetzelfde gold voor het leien dak van Bordels. Het hemelwater zou achterlangs de huizen worden afgevoerd via een loden goot naar de Steenweg, op kosten van de drossard. Hij mocht tegen de muur van Bordels geen stallen oprichten en er geen mestplaats aanleggen. (GAR, archief Hoofdgerecht, inv.nr. 317-f.313.)

Het zou nog tot 1730 duren, wanneer het huis (nr. 10) door kleindochter Maria Beatrix Claessens voor 1250 rijksdaalders werd verkocht aan haar oom en huurder Judocus Meijer, syndicus van Oostenrijks Gelder, weduwnaar van Maria Isabella van der Heijden. In mei 1756 ging het huis, afkomsig van wijlen advocaat Bordels (nr. 8), met erf, hof, stalling en remise voor 1200 pattacons over op advocaat Jacob Anton van der Vrecken. (GAR, archief Hoofdgerecht, inv.nr. 327-f.238.)

Na het vertrek van de stadhouder werd de schade in de twee huizen opgenomen. Het secreet, ofwel het heimelijk gemak diende vervangen te worden. De muren van de keuken, het stookhuis en de voorraadkamer zouden opnieuw gekalkt worden en het stookhuis gerenoveerd. De afvoer van de pomp in de kelder werd van een nieuw deksel voorzien, terwijl de pomp buiten gerepareerd werd. De binnenplaats (courselle) werd nieuw bestraat. De gekleurde ramen van de voorkamers (salettes) en op de kamer van de hofmeester werden gerestaureerd. De schoorsteen in de zaal en op de kinderkamer werden nieuw opgemetseld. Totale kosten, 60 gulden. (Staten Overkwartier, inv.nrs. 468 en 469.)

Wanneer de stadhouder vanwege zijn functie toch in Roermond aanwezig moest zijn, dan nam hij zijn intrek in De Bovenste Drye Croonen op de Varkensmarkt, bij het echtpaar De Bruijn. Zoals die keer in oktober van dat jaar toen hij laat in de avond in de stad aankwam. De volgende dag liet hij een bericht sturen naar de gedeputeerden om die ochtend om 8 uur in zijn logement te verschijnen. De bedoeling was dat er snel zaken gedaan konden worden, zodat hij nog die avond een positief bericht naar Brussel kon sturen. ( Staten Overkwartier, inv.nr. 90-f. 128.)

 

Het Prinsenhof...
In mei 1683 was er nog geen besluit gevallen, omtrent de definitieve opbouw van het nieuwe Prinsenhof. Zou men hiertoe het huis op de hoek tegenover Bethlehem verder uitbreiden, of toch maar op de oude fundamenten van de afgebrande huispaats een nieuw Prinsenhof stellen? De kosten voor beide opties zouden weinig verschillen. Terloops werd ook nog overwogen, om de Kanselarij hiertoe te bestemmen. De fundamenten lagen echter niet diep genoeg om er kelders van te maken, terwijl de muren te zwak waren om de gewelven te kunnen dragen.

Nog voordat de beslissing was gevallen voor het een of het ander, werd de ritsburgemeester alvast erop uitgestuurd om in Luik en omgeving te gaan informeren naar de prijs van de benodigde materialen, zoals de planken, leien, het ijzer, de kalk en de kolen voor de steenovens, die via de Maas zouden worden aangeleverd.

Wegens het grote belang van de zaak, werd bedongen, dat het besluit hierover zou worden genomen in een voltallige vergadering van beide kamers. Met algemene stemmen* werd door de heren van de ridderschap en de afgevaardigden van de steden gekozen voor de herbouw op de oude fundamenten. De sindicus werd naar Brussel gestuurd, met het verzoek om 4000 pattacons daartoe te mogen opnemen, met een eventuele uitloop van nog eens 2000 pattacons. ( *De afwezige heren hadden hun stem schriftelijk ingezonden.) (Staten Overkwartier, inv.nr. 89-f.142.)

In februari 1686 verkochten de heren gedeputeerden van Ridderschap en Steden het huis aan Bethlehem, na alle aan- en verbouw en overige kosten, voor... 2.000 rijksdaalders aan Johan van den Bossche, syndicus van de Staten van het Overkwartier. (GAR, archief Hoofdgerecht inv.nr. 319-f.209.)

Vol goede moed zou men te werk gaan in de overtuiging, dat den bouw sal wesen cieraedt van dese stadt.


Tot slot.
De prins van Nassau, gouverneur en stadhouder van het vorstendom Gelder, ridder in de orde van het Gulden Vlies, overleed in december 1699. Het zou niet lang meer duren alvorens het Overkwartier werd opgedeeld tussen de Republiek, Pruissen en Oostenrijk.

Enkele vooraanstaande burgers uit Roermond hadden nog het een en ander van de overleden vorst te vorderen. Om er zeker van te zijn, dat diens zoon de erfprins Guillaume Hyacinthe van Nassau de schulden van zijn vader alsnog zou voldoen, lieten zij beslag leggen op enkele seer costelijcke tapisserien, die vanuit Brussel via Roermond naar Keulen vervoerd zouden worden. Verder dan de bisschopsstad kwamen de tapijten niet, maar werden opgeslagen in de schuur van Hendrick van Lin, voerman.

De erfprins verzocht het Hof van Gelder om de kostbare tapijten in elk geval op een veilige plaats te bewaren, zoals daar was de kanselarij. De drie crediteuren waren rentmeester en landscholtis Arnold van Langenacker, Mathijs Vernick van Thoor, handelaar in wijnen, en Johan Willem Postwijck. (RHCL te Maastricht, 01.004 archief Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 387-3323.)

Guillaume Hyacinthe van Nassau-Siegen maakte kort daarna tevergeefs aanspraak als erfopvolger van stadhouder Willem III, koning van Engeland. Meer daarover in het artikel over de Breewegshof te Linne, elders op deze site.