............ Munsterstraat 10

Laatst gewijzigd: 08-01-2016 © Jan Ruiten

VAN STADSWONING TOT SCHILDERIJENKABINET
MUNSTERSTRAAT 10

Het zal misschien bij weinigen bekend zijn, maar het verslag van historisch en archeologisch onderzoek naar het verleden van Munsterstraat 10 staat wel op internet en is zodoende voor een breed publiek toegankelijk. Wat betreft de geschiedenis van het pand, zijn toch meerdere kanttekeningen nodig. Immers, wat geschreven staat, staat geschreven en gaat zijn eigen loop nemen. Het verhaal hangt teveel samen uit (misleidende) veronderstellingen, terwijl de opgevoerde personen en families (tot eind 18e eeuw) ook nog eens niets met het huis van doen hadden.

de Hoogkerk van St. Christoffel in 1649 volgens Blaeu

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

Soms kan enig bronmateriaal ons bij het onderzoek op het verkeerde spoor zetten. Een oud document in het familiearchief op naam van Leonard van Loosen in Die Karre, betreffende een 17e eeuwse kwestie over de waterafvoer over meerdere erven in de Brugstraat, wordt gezien als toebehorend aan het huis van de 20e eeuwse bewoners. In werkelijkheid heeft het historische pand Die Karre twee huizen verderop gelegen.

Een huizenlijst beginnende aan de Kraanpoort, met als eerste eigenaar burgemeester Sijben, wordt vereenzelvigd met adres Kraanpoort 1. Maar in 1780 waren er nog geen huisnummers en begon men de rondgang gezien vanuit de Kraanpoort. Het huis De Hemel van burgemeester J.B. Sijben is dan gelijk aan Kraanpoort 7.

Begrijpelijke misverstanden. Maar wanneer een cultuur-historisch onderzoek wordt opgedist met mogelijkheden, vermoedens en waarschijnlijkheden, om de lezer vervolgens "een interessant verleden" op te dissen, bij gebrek aan beter, dan betreft het niet meer een begrijpelijke vergissing. Van generatie op generatie worden verkeerde veronderstellingen opgediend.

Zo is de "Heere van der Vekene van Herp", wiens verre voorvader ooit geprobeerd heeft om De Grauwe Thooren te kopen, ook nooit eigenaar of zelfs maar bewoner geweest van Munsterstraat 10. Het huis dat hij in 1768 aan zijn huurders verkocht, betreft namelijk het pand Munsterstraat 12, in die jaren een herberg. Derhalve zal ook geen overdracht gevonden worden, waarin het echtpaar Strauch zijn woning doorverkoopt aan de weduwe Meijers-van der Vrecken, die volgens het betoog de eigenares zou zijn geweest van het pand op nummer 10. Noch genoemd echtpaar, noch de weduwe had met het betreffende pand van doen.

Ook de vooraanstaande familie Van der Vrecken, die rijkelijk aan bod komt, heeft nooit enige bemoeienis gehad met Munsterstraat 10. Toevallig wel met het huidige pand op nummer 8, dat men verhuurd had (1780) aan de weduwe Rijcks. Omdat er (begrijpelijk) geen directe gegevens tussen de familie en het pand gevonden zijn, mag alweer de pauselijke gezant in de familie opdraven.

Hier dan toch maar verzwijgen dat de familie Vrecken niet in de Emmerick heeft gewoond en dat Petrus Mathias van der Vrecken toch al zo'n twintig jaar dood was, toen hij het huis in de Neerstraat aan de bewoners verkocht? Dat slaan we dus over.

Wat meer ter zake doet, is het gegeven, dat Jan Baltasar Meijer (1754-1830), die zijn huis als schilderijenkabinet openstelde voor de beau monde van Roermond en omgeving, het huis niet van zijn moeder had geërfd, maar van zijn oom de schepen Frederick Joseph Meijer, na diens overlijden in april 1786. Het (woon)huis van de weduwe van schout Meijer, dat de schrijvers op het oog hebben, heeft immers gestaan op het perceel van Munsterstraat 14, dat eveneens op hem is overgegaan.

Men krijgt daarbij steeds meer de indruk, dat de familierelaties gebruikt worden, om de lezer uiteindelijk een bepaalde conclusie aan te praten, namelijk dat zekere architect uit Maastricht gezien moet worden als inspiratiebron van het binnenwerk rond 1800. Of die conclusie al dan niet juist is, doet hier niet ter zake. De onderbouwing klopt niet.

de Stenenbrug op palen in 1649 volgens Blaeu

Het historisch onderzoek moet toch het verhaal leveren tot ondersteuning van de archeologische bevindingen. Maar verder terug in de tijd dan het jaar 1768* is men blijkbaar niet gekomen. Bestaande historische kaarten worden op een eigen wijze, door een sterk gekleurde bril bekeken. Men ziet er zelfs aanwijzingen in, die de cartograaf zelf niet eens waren opgevallen, bij het intekenen van de kaart. (Afbeelding: Aan de hand van de kaart van Herman Janssens, zou blijken dat de smalle uitbouw, risaliet genoemd, al in 1671 aanwezig was. Duidelijk toch, nietwaar? De blauwe pijltjes moeten erop wijzen, dat er toen al twee brandgangen waren. Dat klopt dan in elk geval niet met de afspraken die de bouwer in 1668 had gemaakt met buurman Bordels, om in zijn muur te mogen balken.)

Overigens had men in Roermond voor deze smalle doorgangen een eigen woord, niet te vinden in de middelnederlandse woordenboeken. Een gats was een openbare doorgang tussen twee huizen. Hier betrof het dan een zogenaamde winde, een smalle doorgang om achterom te komen. Niet zozeer bedoeld als brandgang, want geregeld werden die op de eerste verdieping weer overkapt. Daarbij gold de voorwaarde, dat een kooldrager met een mand kolen op zijn schouders er zonder problemen onderdoor kon.

* Genoemde overdracht uit 1768 blijkt ook nog niet eens betrekking te hebben op Munsteerstraat 10!

Terwijl het archeologisch onderzoek (terloops) de mogelijkheid van meerdere panden aangeeft, houden de samenstellers het toch bij één stadspand in 1554, een woonhuis dat in de loop der tijd met nieuwe aanbouw werd uitgebreid. In werkelijkheid waren het drie afzonderlijke panden, die in de eerste helft van de 17e eeuw voor en na werden verworven door raadsheer en rekenmeester Gilles van Elshout.

Ondanks dat de huizen links en rechts in de stadsbrand van 1665 ten onder gingen, zoals o.a. te zien is op de kaart van Herman Janssens, houdt men het hier enkel bij een slechts gedeeltelijk beschadigd dak, terwijl er in de tijdseigen stukken sprake is van een huisplaats met overgebleven bouwmateriaal, dat nieuw moet worden opgebouwd.

Het historisch verhaal wordt vervolgens een eeuw later weer opgepakt. Pijnlijk genoeg wel met de buren en de (respectabele) notabelen links en rechts, maar niet over de bewoners, of eigenaars van Munsterstraat 10 zelf. Die komen in het hele verhaal (tot eind 18e eeuw) niet voor.

het gotisch huis in de Brugstraat stamt van na 1649 volgens de kaart van Blaeu

het huis De Rode Poort

Anno 1780: dhr. adv. van der Vrecken (eigenaar), de weduwe van drossard Rijcks (bewoonster)
Eerst maar eens de huisplaats tussen paal en perk stellen. Munsterstraat 8 stond in een ver verleden bekend (al in 1538) als het huis met De Rode Poort, ook wel geschreven als Die Roeport en In die Rohe Port.

In juli 1588 werd het huis verkocht aan Hendricxke van der Velde, de weduwe in de vermaarde herberg Die Kirch op de Steenweg. De vrouw had nog meer huizen in de stad, die naderhand op haar kinderen en kleinkinderen overgingen. In juli 1661 verkochten dezen het huis aan advocaat Thomas Bordels en Ida Spee, kleindochter van Hendrickske. (GAR, Hoofdgerecht inv.nrs 311-f.414 en 317-f.71.)

Ondanks de vele kinderen die in dit huwelijk werden geboren, bleef uiteindelijk alleen nog de dochter Aldegonda Bordels over. Zij verwierf dan ook de uitgebreide erfgoederen binnen en buiten de stad. In 1725/26 droeg zij haar bezittingen over aan het klooster der carmelitessen, waar zij ondertussen was ingetreden. Daartoe behoorde ook het huis in de Munsterstraat. Volgens de muurankers herbouwd in 1665, dus kort na de stadsbrand. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 326-f.157 en f.246.)

In september 1739 verkocht Balthasar Thomassen voornoemd huis namens het klooster voor liefst 1000 pattacons aan de weduwe Elisabeth van Esveldt-Heerman. Haar dochter Francisca van Esveldt, de weduwe Wevelinckhoven, verkocht, ook namens haar naaste familieleden, in mei 1756 het huis met erf, hof, stalling en remise voor 1200 pattacons aan advocaat Jacob Anthon van der Vrecken. (GAR, Hoofdgerecht inv.nrs 330-f.39 en 334-f.232.)

 

 

 


Munsterstraat 12

Anno 1780: Adolph Strauch, herberg (eigenaar en bewoner).
Dit huis stond in 1635 nog op naam van burgemeester Moeits en in 1641 door de kanunnik Derick Moeits verkocht aan Willem Basel en vrouw.

In 1657 verkoopt Jacob Basel, religieus administrator van St. Bruno te Roermond, het pand aan de prior van het kartuizerklooster. In plaats van een koopsom te betalen, zal het klooster de diverse beleningen op het huis overnemen. Voor de verkoop had het Hof van Gelder de dag tevoren octrooi verleend, wegens minderjarigheid van de verkoper. (GAR, Hoofdgerecht 317-f.23.)

Drie jaar later, in maart 1660 heeft de prior namens het klooster het huis in de Munsterstraat in erfbuiting overgedragen aan notaris Jan van Hillen en Sophia Janssen. Daarvoor kreeg het klooster in ruil een erfpacht van 14 malder rogge en een pond peper, elk jaar met Pinksteren te leveren door de eigenaars van de onderste molen op de Roer. (GAR Hoofdgerecht 317-f.53.)

de Munsterabdij als een dorpskerk volgens de kaart van Blaeu

Johan van Hillen, weduwnaar, beleende het huis in de jaren '90 tot twee keer toe bij de weduwe van schepen Johan Bossman. Dat deed hij met instemming van zijn kinderen Carolus van Hillen, inwoner van Keulen, advocaat Adam Frans van Hillen en dochter Anna Gertruijt van Hillen. Het huis ging vervolgens (voor 1730) via de jongste zoon over op de familie Bossman. (GAR, Hoofdgerecht inv.nrs 320-f. 330, 321-f.38 en 327-f.238.)

In juli 1768 werd het huis door dhr. Van der Vekene de Herp verkocht voor 425 pattacons aan het echtpaar Adolph Strauch (1720-1804) en Sibilla Pollenitz uit Mannheim. Het pand werd toen gesitueerd tussen de belendende percelen van enerzijds de weduwe van schout Meijer en aan de andere kant van dhr. schepen Meijer. In 1801 stond het huis nog steeds op naam van Strauch. (GAR, Hoofdgerecht 339-f.107.)

Kort daarop (1805) is het huis overgegaan op Johan Baltasar Meijer, de bewoner van Munsterstraat 10. Na zijn dood stond het pand nog op naam van zekere juffrouw Poell. Achter die naam gaat zijn nichtje Adeleide Poell (1793-1871) schuil, dochter van zijn schoonzuster Francisca Messemaekers, weduwe van Edmond Poell, allen uit Kalkar.

 


Munsterstraat 10

Anno 1780: dhr. schepen Meijer (eigenaar en bewoner).
Hieronder enkele opmerkingen, vermoedens en veronderstellingen uit de cultuur- en bouwhistorische analyse "Van Stadswoning tot Schilderijenkabinet" en vervolgens hetgeen hierover in de archieven te vinden is.
De hoofdstukken betreffende het archeologisch onderzoek blijven hier vrijwel buiten beschouwing, evenals het verdere verloop na 1800.

 

pag. 9: "Het huis is tamelijk ongeschonden uit de stadsbrand van 1665 tevoorschijn gekomen: waarschijnlijk werd alleen een deel van de kap beschadigd."

pag. 44: "Dit stadspand met brede lijstgevel, dat ongeschonden uit de stadsbrand van 1554 tevoorschijn kwam, vertoont echter ook kenmerkende elementen van herbouw na de grote brand van 1665."

pag. 47: "Uit het vorenstaande kan opgemaakt worden dat de stadswoning Munsterstraat 10 een kenmerkende groei heeft doorgemaakt van één ruimte in de dertiende à veertiende eeuw naar een tweebeukig volume met brede lijstgevel in de zeventiende eeuw."

een kapel op de hoek Swalmerstraat en Markt volgens de kaart van Blaeu in 1649

Tussen Munsterstraat 8 en 12 hebben tot midden 17e eeuw drie afzonderlijke huizen gestaan. We noemen hier van noord naar zuid als volgt de panden van Goltstein, van de predikheren en van Kannegieters. In 1491 worden de laatste twee huizen met name genoemd: het huis van de augustijnen te Maastricht en "het huis dat Heyn Gruwels had", toen verkocht aan Rutt van Meuss, de pelser. (GAR, Regesten 1365: Hoofdgerecht inv.nr. 310-f.65.)

In 1570 verwerft Anna Smehdtz, de weduwe van mr. Mewussen het huis in volle eigendom van de overige erfgenamen.

Vervolgens komt het huis in 1609 in handen van Stoffel Kannegieters en vrouw. Twee jaar later verkopen zij het huis voor 450 gulden aan rekenmeester Gielis van Elshout en Catharina Maess. Het perceel was gelegen tussen het huis van de penitenten van Maastricht en het huis van Tijs Nessels (nr.12). (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 313-f.27, f.31 en f.78.)

Aan de andere kant -tussen het penitentenhuis en de Rode Poort- komen we naderhand, nog voor de eerste stadsbrand, het huis van Gerith Goltstein tegen, waarvan in 1577 een stal met tuin (plaitsken hoeffs) wordt verkocht aan de buurman in De Rode Poort. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 311-f.303.)

Zoon Reiner Goltstein verkoopt het huis in augustus 1588 aan Derick van Bergh, dienaar van de erfvoogd, en zijn vrouw Trine Beckers. Uiteindelijk verkoopt hun zoon Willem van Bergh, pastoor te Velden, met instemming van zijn moeder het huis in april 1624 aan het echtpaar Engelen. Maar nog geen twee maanden later, maakt "buurman" Gillis van Elshout gebruik van het beschudrecht. Daartoe betaalt hij de koopsom van 500 gulden en de overige kosten. (GAR, Hoofdgerecht inv.nrs 311-f.415 en 314-f.71 en f.75.)

Dat betekent, dat hij inmiddels ook het huis van de predikheren had veworven. De augustijnen komen dan ook niet meer voor als huiseigenaar in de Munsterstraat.

In november 1632 draagt Catharina Maess, met volmacht van haar afwezige echtgenoot Gillis van Elshout, president van de Rekenkamer, het grote en kleine huis met de tuinen in de Munsterstraat over aan hun zoon Johan van Elshout, als zijnde zijn kindsdeel. (Hoofdgerecht inv.nr. 315-f.62.)

Eind december 1668 verkopen jonker Johan Ivo van Elshout en zijn schoonvader Hericus Boncamp tot Katler, als vader en grootvader van de kinderen uit huwelijk met wijlen Lucretia Boncamp een (lege) huisplaats met tuin in de Munsterstraat aan Johan van der Heijden, drost van het ambt Montfort, en Maria Cox. Bij de verkoop waren inbegrepen de stenen, het ijzerwerk, kalke en andere materialen, overgebleven na de stadsbrand eind mei 1665. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 317-f.226.)


"...overgedraeghen de huijsplaetse ende hoff gelegen in de Munsterstraete alhier neffens den lct. ende schepen Th. Bordels ter eenre,
ende den pr(ocureur) Johan van Hillen respective erve ter ander sijde, mitte ap- ende dependentien van dyen als steenen, iserenwerck,
calck ende andere materialen daerop wesende..."

= volledige akte onder aan de pagina =


pag. 45: "Munsterstraat 10 lag weliswaar in 1665 binnen het gebied dat door de stadsbrand werd getroffen, maar dankzij het feit, dat een eigenaar de hiervoor genoemde brandwerende maatregelen al had getroffen, kon zijn woning vrijwel ongeschonden uit deze brand tevoorschijn komen. Naar alle waarschijnlijkheid is toentertijd alleen het dak deels beschadigd geraakt. Dat verklaart ook waarom er diverse authentieke balken in de kap zijn gevonden."

pag. 45: "Door de schade, die de stadsbrand van 1665 mogelijk aanrichtte, werd reparatie noodzakelijk. Waarschijnlijk is kort daarna de huidige uiterlijke vorm van het samengestelde pand ontstaan (-). Er had toen dus vergroting van de middeleeuwse parcellering plaatsgevonden."

Munsterstraat 10 anno 1649 volgens de kaart van Blaeu

Eind december 1668 verkochten jonker Johan Ivo van Elshout als vader, en zijn schoonvader als voogd der kinderen uit huwelijk met wijlen Lucretia Boncamp, tevens met instemming van het Hoofdgerecht een huisplaats in de Munsterstraat aan het echtpaar Johan van der Heijden, drost van het ambt Montfort, en Maria Cox.

De afgebrande timmerplaats was gelegen tussen de erven van schepen en lct. Thomas Bordels en van procureur Johan van Hillen. Bij de verkoop waren inbegrepen de stenen, het ijzerwerk, de kalk en andere materialen die na de stadsbrand waren overgebleven. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 317-f.226.)

In oktober 1668 werd tussen drost Van der Heijden en zijn buurman Thomas Bordels een overeenkomst gesloten betreffende de nieuwbouw door eerstgenoemde. Hieronder volgen de gemaakte afspraken. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 317-f.252.)

koten of koeten is balken leggen in de zijmuur
"Condt ende te weeten zije jedermennichlick dat, naerdyen hr. Johan van der Heijden, drossard des ampts Montfort, hadde aengecocht de huijsplaetse geleghen ter eenre sijde neffens 't huijs ende erve van den procureur Hillen, ende ter andere neffens 't huijs van den hr. doctor Thomas Bordels, schepen van 't Hooftgericht deser stadt, ende dat den voorgenoemde hr. drossard, tot sijn meerder proffijt, ende commoditeijt versochte in de muijr van 't lestgemelte huijs van den schepen Bordels te mogen koten, heeft denselve door gunste, en in consideratie van den reciproque [=wederzijdse] verwantschap, sulcx toegestaen, onder dese naervolgende conditien..."
 

1. Van der Heijden mag in de muur geen gaten breken om houten steigers of balken te plaatsen dan met een boor en alleen voor de strijcklijsten en voor de ankers, en die vervolgens aan de andere kant bepleisteren.
2. Tevens zal hij de muur of zijgevel mogen gebruiken voor het inleggen van het kapwerk.
3. Mocht de muur daarna gebreken vertonen, dan zullen die op kosten van de drossard hersteld worden. Hetzelfde geldt voor het leiendak.
4. Het water zal tussen de huizen buiten genoemde zijgevel achterlangs naar de Steenweg afgevoerd worden, waartoe de drossard een loden goot op de muur zal doen plaatsen, om het water van Bordels huis op te vangen en over zijn eigen erf af te voeren. Van der Heijden zal zorg dragen voor het reinigen van de goot.
5. Van der Heijden zal tegen de muur van Bordels geen stalling e.d. mogen oprichten om de paarden of andere beesten te stallen en geen mestplaats daartegen laten leggen.

Bovenstaand detail van de kaart van Blaeu geeft volgens de schrijvers nauwkeurig de toestand van Munsterstraat 10 aan in 1649. Hoe betrouwbaar de kaart in feite is op dat gebied, tonen de missers in de linker kolom aan.

 
 
pag. 56: "Vanaf het midden van de achttiende eeuw is informatie gevonden over eigenaren van Munsterstraat 10. Het vermoeden bestond al dat in deze stadswoning welgestelden gehuisvest waren. Nu wordt bevestigd dat het hier een patricierswoning bij uitstek betrof. De oudste eigenaar die werd gevonden is "Heere van der vekene van Herp". Hij bezat het pand in 1768."

Eind 1681 werd het huis van de weduwe Bordels in de Munsterstraat door de heren Staten gehuurd als tijdelijk onderkomen voor niemand minder dan Franz prins van Nassau-Siegen, stadhouder van het Overkwartier van Gelder. Al gauw werd het huis van de erfgenamen van drossard van der Heijden erbij betrokken. Er was immers ook nog ruimte nodig voor de overige gezinsleden, de bedienden en de hele hofhouding.

Het huis werd eind november 1681 door de buurman, notaris Johan van Hillen, onder en boven bezichtigd. Hij deed dat in gezelschap van twee meester-timmerlieden. Zij kwamen tot de conclusie, dat het huis zich toen "overall in seer goeden staet" bevond. Aan de zolder, het muurwerk, vensters en ramen, vloeren, schouwen en pleisterwerk was niets aan te merken. Alleen de pomp in de keuken gaf geen water. Dat was dan ook het enige. (RHCL te Maastricht, archief Staten Overkwartier, inv.nr. 264.)

Een vorst van Nassau-Siegen is niet snel tevreden met een burgermanswoning als onderkomen. Binnen anderhalf jaar, nog voor het verlopen van de jaarhuur, besluit de vorst zijn intrek te nemen in het Prinsenhof te Venlo. Het heeft nog geruime tijd geduurd voordat het huis in de Munsterstraat weer in bewoonbare staat was teruggebracht. De erfgenamen Van der Heijden werden er moe van.

Lange tijd blijft de stadswoning in de Munsterstraat op naam staan van de erfgenamen van Johan van der Heijden en Maria Clara Cox. Wat er vervolgens binnen de familie zoal onderling geregeld werd, wordt ons op een presenteerblaadje aangereikt. Een akte die in april 1730 voor de schepenen van het Hoofdgerecht werd opgemaakt, maakt nader onderzoek overbodig.

De lct. Judocus Meijer, syndicus van het Overkwartier van Gelder, weduwnaar van Maria Isabella van der Heijden heeft de gang van zaken op een rijtje gezet. In augustus 1719 hadden hij en zijn vrouw met de erfgenamen van landschrijver Arnold Claessens en Maria Agnes van der Heijden een verdeling van de erfgoederen aangegaan, afkomstig uit de nalatenschap van wijlen drossard van der Heijden en vrouw.

Eind 1668 kochten Johan van der Heijden, drost van het ambt Montfort, en Maria Clara Cox de afgebrande huisplaats in de Munsterstraat. Voorheen had de vrouw de pachtboerderij met de landerijen van de Aerwinkel te Posterholt mee in het huwelijk gebracht. Bij de verdeling in 1719 was ook dit Gelders leengoed aan Meijer toegevallen. Tot de openbare verkoop in 1835 verloopt de lijn van opvolgende eigenaars van pand Munsterstraat 10 gelijk met de Aerwinkel. De vererving hield gelijke tred. (Zie ook: Jeu Veelen, De Aerwinkel van Gelders leengoed tot historische buitenplaats, Roerstreek 2011, blz. 71 e.v.)

Het drostambt bleef lange tijd in de familie. Na het overlijden van Johan van der Heijden in 1678, werd hij opgevolgd door zijn zoon Gerard. Overigens niet voor lang. Twee jaar later (sept. 1680) is sprake van de erfgenamen drost Gerard van der Heijden. Sindsdien (1681) werd het ambt door Jacob van der Heijden overgenomen. Hij verhuisde (1684) voor lange tijd naar Nijmegen. Sindsdien werden de zaken hier door de substituut- of luitenant-drossaard waargenomen. Eerst medio 1700 en naderhand begin 1708 is weer sprake van drost van der Heijden in de regio. Enkele maanden later heeft hij het ambt klaarblijkelijk neergelegd: "den gewesene hr. drossardt van der Heijden". Als zodanig werd hij toen (uiterlijk in januari 1709!) opgevolgd door zijn zoon Jacobus Ignatius van der Heijden, die het ambt tot 1743 uitoefende.

De kinderen Claessens hadden vervolgens in augustus 1725 de gemeenschappelijke goederen onderling verdeeld. Daarbij ging het huis in de Munsterstraat over op Maria Beatrix Claessens te Gelder. De jonge vrouw verkocht het huis met de hof en toebehoor in maart 1730 aan haar oom de syndicus Meijer voor het lieve bedrag van 1250 pattacons in contant geld, dat zij ondertussen ontvangen. (Voor alle duidelijkheid werd ook de herkomst van de twee belendende percelen genoemd en de eigenaars in 1730.) (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 327-f.238.)

Klik op afbeelding voor een grotere weergave.
Het gemeente-archief van Roermond (GAR) heeft onlangs ook de originele overdrachts-oorkonde verworven, waarmee Maria Beatrix Claessens, geassisteerd door haar broer, raadsheer Peter Francis Claessens, substituut-momber van Zijne Majesteit de koning van Pruisen, op 12 april 1730 verkoopt aan haar oom, de licentiaat Judocus Meijer, syndicus van de Ridderschap en Steden van het Overkwartier van Gelder, haar huis en hof met alle toebehoor, gelegen in de Munsterstraat tussen de behuizing van wijlen de advocaat Thomas Bordels, in 1730 van de carmelitessen te Roermond, en het huis van wijlen advocaat Hillen, in 1730 dhr. Bosman, tegen 1250 pattacons, die zij reeds ontvangen heeft.
Daaronder hangen de zegels van schout Christoffer Jacob Dirix en van de schepenen Jacobus Cox en Johan Baptist Cruijsancker.
GAR, LOSSE CHARTERS terug uit Maastricht, nr. 87.

pag. 59: "Op 24 januari 1793 overleed ook zijn moeder en erfde hij [J.B.J. Meijer] Munsterstraat 10. Rond die tijd werden de heer en mevrouw Meijer-Messemecker de nieuwe bewoners van het pand. Zij moeten riant gehuisvest zijn geweest, want de woning behoorde tot de zes hoogst getaxeerde huizen van Roermond."

pag. 59: "Bekend is dat de eveneens in Kalkar geboren (schoon)zuster Juliana Francisca Xaveria Messmaeker (Messemaeckers) in 1795 bij hen inwoonde. Deze ongehuwde rentenierster stierf 26 februari 1819 op 74-jarige leeftijd. Ook woonden in die tijd een knecht en drie dienstmeiden op hetzelfde adres."

 

Na het overlijden van Judocus Meijer ging de stadswoning in de Munsterstraat over op zijn oudste zoon, de advocaat en later ook schepen Frederick Johannes Meijer (1701-1786), in huwelijk met Leopoldina Verheijden (+1767). In 1768 werd de herberg van Strauch gesitueerd tussen de erven van enerzijds de weduwe van schout Meijer en aan de andere kant van schepen Meijer. Schepen Meijer werd ook nog in 1780 genoemd als eigenaar en hoofdbewoner.

Na zijn overlijden ging zijn uitgebreide nalatenschap, waaronder het leengoed de Aerwinkel te Posterholt en de Ploegshof in de Linnerweerd, evenals het huis aan de Munsterstraat over op Johan Baltasar Joseph Meijer (1754-1830), zoon van zijn jongste broer Petrus Franciscus Meijer en Isabella van der Vrecken. De gefortuneerde jongeman trad in 1689 in het huwelijk met Anna Catharina Messemaekers uit Kalkar. Hij verwierf dus de uitgebreide erfgoederen van zowel zijn ouders als van zijn oom en kon zich zodoende een zekere luxe permitteren.

Ook zijn schoonzuster Francisca Messemaekers, de weduwe Poell, kwam bij het echtpaar inwonen, samen met haar zoon en dochter. In die tijd stonden drie huizen met de tuinen naast elkaar op naam van Meijer. Het tussenhuis, afkomstig van Strauch, is overgegaan op zijn nicht Adeleide Poell.

Coram judex et scabinis licentiati Th. Bordels ende G. van Baerll sijn gecompareert jr. Johan Ivo van Elshout ende hr. Henricus Boncamp tho Katler, respective vaeder ende grootvaeder van de onmundige kinderen verweckt mit den iersten hr. comparant ende wijlen vrouwe Lucretia Boncamp, ende hebben in gevolgh van het consent van de vercoopinghe op heden bij den Heuftgericht verleent, gecedeert ende overgedraeghen de huijsplaetse ende hoff gelegen in de Munsterstraete alhier neffens den licentiaet ende schepen Thomas Bordels ter eenre, ende den pr(ocureur). Johan van Hillen respective erven ter ander sijde, mitte ap- ende dependentien van dyen als steenen, iseren werck, calck ende andere materialen daerop wesende, sijnde los ende vrij, aen hr. Johan van der Heijden, drossard des ampts Montfort ende vrouwe Maria Cox sijne huijsvrouwe, hunner beijder erven ende naercommelingen, alles ingevolgh van de coopcedule heden daervan opgericht, et tali conditione, judex haereditavit. Actum Ruremunde den 29 december 1668.