............ DE EMMERICK

 


in het rode veld
'n detail van het oude stadszegel van Emmerich

Laatst gewijzigd: 29-10-2016 © Jan Ruiten

HET HUIS VAN DE EMMERICK
IN DE NEERSTRAAT

...daer de Stadt Emmerick tegenwoirdich vuijthanght...

De naam van de Emmerick was oorspronkelijk verbonden aan het huis op de hoek van de Markt, alwaar men naar de Zoutmarkt afliep. Naast het huis stond de ijzeren put, toen nog de St. Joost-put geheten. Er wordt wel gezegd, dat de naam van De Emmerick zou verwijzen naar de leren emmers, die er aan een haak of stok hingen, te gebruiken bij brandgevaar. Bovenstaande zinsnede geeft een andere verklaring, en hoort eerder thuis in het rijtje van De Stadt Venlo, In Nijmegen, in De Stadt Antwerpen enz. Toen de huurders in 1650 het huis op last van de nieuwe eigenaar moesten verlaten, zetten zij hun herberg voort in een pand aan de Neerstraat (nu nr. 10). De naam van hun logement namen zij mee.

 

Tot uiterlijk 1650 was deze naam verbonden met de herberg op de hoek van de Markt, naast de St. Joostput. Sindsdien was de naam van De Emmerick verbonden aan een pand in de Neerstraat, voorheen bekend als De Zoete Naem Jesus, totdat de nieuwe bewoners er hun intrek namen. En sindsdien droeg deze herberg de naam van De Emmerick. Waarom verhuisde De Emmerick naar de Neerstraat? Wat ging er aan vooraf?

In juni 1649 verkochten de voogden van de jonge Tilman van Bree met instemming van het Hoofdgerecht het huis op de hoek van de Markt bij de ijzeren put waar het Emmerick uithing aan het echtpaar Dorss voor 4400 gulden. Binnen een maand tekende Jacob Graus als naaste bloedverwant beschud aan. Hij verzekerde bovenop de koopsom alle overige kosten te zullen betalen. Matthijs Dorss de bewoner van het huis, kon niet anders dan het beschud te aanvaarden. Wel stelde hij tot voorwaarde, dat hij zijn rechten als huurder zou behouden. Graus stelde echter dat de huur niet naar behoren geregeld was. Later die dag zijn beide partijen dan toch tot een vergelijk gekomen. (Hoofdgerecht 316-f.82 en f.84.)

Nog geen week nadat de logementhouder en zijn vrouw het huis aan de St. Joostput aan wachtmeester Graus hadden overgelaten, kregen Matthijs Dorss en Mechtien Coopmans (ook Coppens genoemd) de kans om een geschikte herberg in de Neerstraat te kopen. In juli 1649 verwierf het echtpaar voor 3500 gulden het huis In den Soeten Naem Jesus tegenover de put aldaar. Waarschijnlijk waren zij met Graus overeengekomen, dat zij de naam van De Emmerick mee mochten nemen. Het huis op de hoek van de Markt stond naderhand (1659) bekend als De Pauw. (Hoofdgerecht 316-f.85.)

 

Het IHS-monogram van De Zoete Naam Jezus. Zal begin 17e eeuw een dergelijk bord de gevel van het huis gesierd hebben?

Voor het eerst duikt Den Nahm Jesus op in een getuigenverklaring eind 1603. De 47-jarige Andries Kannegieter woont dan als waard in de herberg. De winter daarvoor was zekere Isebrandt Compostel, weduwnaar uit Bonn, bij hem komen logeren. Achteraf was deze hem nog 100 gulden schuldig gebleven wegens verteringskosten, samen met anderen. Zijn kinderen had hij thuis gelaten. Alleen zijn oudste zoon, die in Bocholz in dienst was, had hem twee of drie keer bezocht.

Tegelijk logeerde ook zekere Marricken, wijlen Claes Rijtgens dochter uit Keulen, in genoemde herberg. Zij had in de stad enkele zaken af te handelen. De twee konden het goed met elkaar vinden. Zij waren toen "in kennisse und conversatie mit malcander" geraakt. Isebrand liet de herbergier weten, dat hij Marricken wilde trouwen en tot zijn huisvrouw wilde nemen. Om dat te vieren, bestelde de aanstaande bruidegom een feestmaaltijd, waartoe ook enkele goede vrienden en buren waren uitgenodigd.

Onder de gasten bevonden zich de vader van de waard, ook Andries geheten, verder Engel Custers, Stephan Hoffman, notaris Charles de Hugue en buurman Abraham van Neuss. In hun aanwezigheid kondigde hij het voorgenomen huwelijk aan. De huwelijkse voorwaarden, die de notaris had opgesteld, werden nog diezelfde avond door de trouwlustigen ondertekend.

Toen een der gasten opmerkte, dat een huwelijk voor een priester gesloten moest worden, liet de bruidegom weten, dat zij spoedig voor de kerk te Bonn in bijzijn van zijn kinderen, danwel te Keulen zouden trouwen. Naderhand blijkt dat het bij deze plannen gebleven was. Marricken Rijtgens kwam haar beklag doen: Isebrandt Compostel had zijn aanstaande bruid laten zitten. De verklaringen van genoemde getuigen werden op schrift gesteld om haar rechtsgang te steunen. (Hoofdgerecht 373-nr.17.)

Naderhand is sprake van het huis Den Sueten Naem Jesus op in een dingakte uit juli 1611. Of de naam te maken had met de orde der jezuieten, die zich kort daarvoor in de stad had gevestigd? Het IHS-monogram is met de orde verbonden, maar niet oorspronkelijk daarvan afkomstig. In 1600 werd het monogram met "De Zoete Naam Jezus" ook gebruikt bij de bestrijding van de pest, die toen in de stad vele slachtoffers maakte. Hebben we hier dan te maken met het huis van de pestmeester en zijn vrouw, die de zieken verzorgden, zoals we vernemen uit het Kalendarium van Roermond? De naam van de pestmeester, Jurgen Huijbrechts, is evenwel niet met het huis in de Neerstraat verbonden geweest. (website: Historie Roermond. oorspronkelijke bron: Roermondse Ontwikkelingsgang door A.F. van Beurden.)

Mathijs Froenhoven was de voorzoon uit huwelijk van Tilman Froenhoven en Geertruijdt van Tricht. In tweede huwelijk trouwde zijn moeder met Henrick Woestinck. Uit dit tweede huwelijk werden nog drie zoons geboren, te weten Tylman, Johan en Gerard. Mathijs was voor kost en in woning aan zijn moeder en stiefvader 800 gulden schuldig gebleven. Omdat hij het geld niet voorhanden heeft, stelt hij het huis tot onderpand. Beide echtelieden geven hem in ruil al hetgene dat hem toekomt uit de nalatenschap van zijn vader en verder "alle gerheede ende vhaerende erfftaele". Zijn voogden zijn verder van alle plichten ontheven. Vervolgens draagt Mathijs het huis met alle daarop staande lasten over aan zijn drie halfbroers, behoudens het gebruiksrecht van hun ouders. (Hoofdgerecht 313-f.67.)

Toch blijkt het huis niet helemaal op zijn naam te staan. Twee maanden later doen de erfgenamen Geverts van zich horen. Dat waren Reijner Geverts, en zijn zus Lysbeth, de weduwe Wetten, en als derde Evert Metsemakers als zoon van Gudule Geverts zlgr. Zij geven volmacht aan Conrardt Ruijss om namens hen bezit van het huis te nemen. Dat gebeurt in aanwezigheid van richter en twee schepenen met eten en drinken en mit affhouwen van etlichen wijnrancken. (Hoofdgerecht 313-f.71.)

Henrick Woestinck is dan elders. Maar hij was wel van de aktie op de hoogte en liet Willem Reinerts in zijn naam protest aantekenen. Daarop volgde een proces. Twee jaar later, in oktober 1615 deed het Hoofdgerecht hierover uitspraak, gevolgd door een ordonnantie midden november. Precies twee weken later togen genoemde erfgenamen opnieuw naar het huis, In Den Naem Jesus genoemd. Opnieuw nemen zij bezit van het huis, maar deze keer met de uitgebreide versie, met het open- en dichtdoen van deuren, het doven en aansteken van vuur, het op- en afschorren van de haal, met bijlhakken in de stijlen van de stal, met graven in de hof, met het afsnijden van wijnranken en tenslotte met eten en drinken in de kamer. (Hoofdgerecht 313-f.191.)

Jaren later worden de bezittingen in Roermond te gelde gemaakt. De kinderen Wetten zijn dan getrouwd. Zoon Johan van Wetten woonde toen als koopman te Dordrecht, Willem van Wetten in Antwerpen en Arnolt was met zijn vrouw in Roermond gebleven. Zij bezitten de eigendom van het huis voor een derde deel. Anna van Berghen, de weduwe van Reijner Geverts is met haar kinderen gerechtigd voor een gelijk derde deel, en tenslotte den metsmaecker Evert van Hooff voor het overige deel. (Hoofdgerecht 314-f.90 en f.92.)

In augustus 1624 verkopen zij huis en herberg, In den Naem Jesus genoemd, met de poortweg, stalling, steenweg en hof voor 1750 gulden aan Peter Daelman en vrouw Gertruijdt. De koopsom zou in drie termijnen betaald worden, waarvan 500 gulden meteen bij de overdracht. Aan de vrouw van Metsemakers werden daartoe nog twee Spaanse dekens goedgedaan, ter waarde van 11 rijksdaalders.

Begin oktober tekent Jan Roijen als buurman beschud aan. Dat doet hij met klinkende munt in goud en zilver, en verder met betaling van de koopsom in gelijke termijnen zoals in de koopakte vermeld stond. Eerder was hem dat al gelukt bij de verkoop van een ander huis verdrop in de straat. Toen had hij een koper een huis afbeschud wegens zijn verwantschap met de verkopers. (Hoofdgerecht 314-f.94, en inv.nr. 125-611.)

Voor het echtpaar Daelmans zat er niets anders op, dan met het beschud in te stemmen. Aanvankelijk had de koper nog uitvluchten bedacht en eisen gesteld aan de beschudder. Maar Jan Roijen had twee borgen bereid gevonden, namelijk secretaris Peter Bosman en de medeverkoper Evert Metsemakers. Blijkens gegevens uit het daaropvolgende proces, woonde Daelmans toen als huurder in voornoemd huis, volgens het huurcontract in elk geval tot St. Remigius (1 okt.) 1626.

De zaak duurde tot eind 1625 ten voordele van de beschudder. Die verzocht vervolgens aan het Hoofdgerecht, om Daelmans niet meer tijd te gunnen dan tot komende Pasen. Daelmans was echter al sedert enkele weken voor zijn koopmanschap onderweg. Begin mei was hij 's avonds laat van zijn zakenreis teruggekeerd. Kort daarop kocht het echtpaar Daelmans een huis op de Wenmekersstraat in ruil voor een halve bunder land te Linne en een bedrag van 450 gulden. (Hoofdgerecht 314-f.140.)

Johan Roijen en Catharina Dencken woonden in het buurhuis, De Roos genoemd. Uit voornoemd proces blijkt, dat hij van zins was het huis In den Soeten Naem Jesus zelf te betrekken.

Misschien was de nieuwe aankoop achteraf toch een groter risico dan ze aanvankelijk hadden gedacht. Een half jaar later, zat het echtpaar al in financiële zorgen. Dat kwam ook wegens de slechte gezondheid van beide echtelieden, waardoor de zaken minder verliepen dan wenselijk was. Zij hadden daarnaast ook nog nieuwe schulden gemaakt. In elk geval lieten zij toen voor alle zekerheid optekenen dat de langstlevende van beiden uit de overige goederen zoveel mocht verkopen of belenen als nodig, om de schulden te betalen. (Hoofdgerecht 314-f.106.)

Een jaar later, in mei 1626 werd het nieuwe huis alvast belast met een lening van 600 gulden.

Opnieuw een jaar later, in april 1627 maakten beide echtelieden een nieuwe regeling. Johan Roijen lag toen (nog) ziek te bed. Zij troffen een nieuwe regeling en lieten die voor het gerecht vastleggen. De huwelijkse voorwaarden werden opgeheven ten gunste van Catharina's twee kinderen uit haar huwelijk met Mathijs Swarthop. Het voornaamste punt was, dat de voor- en nakinderen naderhand hoofdsgewijs zouden delen in de nalatenschap van hun grootvader Johan Dencken zlgr. (Hoofdgerecht 314-f.162.)

Jan Roijen overleed kort daarop; in elk geval voor februari 1630. Krachtens het voornoemde testament zette zijn weduwe Catharina Dencken het huis van De Roos in de verkoop. Op de openbare zittingen, verkoop met de kaars genoemd, verwierf haar zwager Peter Fellarts als laatste bieder het huis voor 2020 gulden, zonder de gebruikelijke hoogsels. (Hoofdgerecht 315-f4.)

De weduwe Roijen was (in derde huwelijk) hertrouwd met Jan van Melick. In de overdrachten komen zij eerst in 1641 als echtpaar voor. Daarvoor werd Trijne Dencken nog enkele keren zijdelings genoemd als grondeigenaar, of vanwege haar schuur Achter de Muur. (Hoofdgerecht 315-f.185.)

Er zijn meerdere aanwijzingen, dat we hier te doen hebben met Jan Goissen van Melick, weduwnaar van Trijne Aebelen. In januari 1630 kochten Jan Goissen en vrouw Catharina voor 1520 gulden een huis in de Oliestraat. Het huis ging naderhand over op zijn schoonzoon Jan Severijns, getrouwd met Catharina Gootsen, dochter uit zijn eerste huwelijk. Zowel Jan Goissen als nadien zijn schoonzoon komen we in het derde kwart van de 17e eeuw tegen als schepen te Herten.
logement De Emmerick in de Neerstraat
Wapenschilden Dors-Coopman, detail grafsteen.

In juli 1649 wordt het huis In Den Soeten Naem Jesus voor 3500 gulden verkocht aan Mathijs Dors en Mechtien Coopmans. Het echtpaar Dors dreef toen nog een goedlopende herberg en nachtlogement in De Emmerick op de hoek van de Markt naast de St. Joostput. Jacob Graus, de nieuwe eigenaar van het pand, was van plan het huis als zijn woning te gaan gebruiken. Het was in die tijd gebruikelijk, dat huur- en pachtovereenkomsten telkens liepen van Pasen tot Pasen. Maar wachtmeester Graus stelde dat de huurakte toch al van geens kanten deugde.

Binnen een week wisten herbergier Dors en zijn vrouw het grote pand in de Neerstraat aan te kopen voor 3500 gulden. Alvorens de koopakte werd getekend, had Catharina Dencken de eigendom van het huis op haar kinderen overgemaakt, onder voorbehoud, dat zij uit de koopsom haar aandeel als tochterse zou krijgen. (Hoofdgerecht 316-f.85.)

 

De Emmerick anno 1671, met links van het huis de steenweg, zoals die ook nog te zien is op de kadasterkaart van 1843. Deze opvaart is ook nu nog duidelijk in het bestaande gebouw te herkennen.

Mechteld Coopmans of Coppens was weduwe uit eerste huwelijk van Philip Melis, met wie zij in mei 1630 te Roermond was getrouwd. Naderhand blijven van de kinderen alleen nog de zoons Evert en Hendrick. Evert, de oudste van de twee, is mogelijk vernoemd naar zijn grootvader Evert Jacops/Coppen, afkomstig uit Beeck. De zus van Mechteld, met name Agnes Coopmans trouwde in 1635 met schout Werner Schalck. (Zie verderop onder de schilderijen.)

Mechteld hertrouwde in december 1639 met Peter van Helden. Het is aan te nemen, dat zij in De Emmerick op de Markt zijn gaan wonen. In juli 1647 leende de weduwe Van Helden aan haar huisbaas een bedrag van 300 gulden, om daarmee het beschud te betalen van een huisje achter de herberg, uitkomende op de Berg(straat). Nog datzelfde jaar hertrouwde Mechteld met Mathijs Dors. Lang zijn ze niet meer in het huis aan de St. Joostput blijven wonen. (Hoofdgerecht 316-f.63.)

In oktober 1648 kocht het echtpaar Dors-Koopmans een zegelbrief van 200 gulden, sinds 1627 als hypotheek staande op een huis op de Steenweg. (Hoofdgerecht 316-f.76.)

Zoals hierboven beschreven ging de aankoop van de goedlopende herberg niet door. De nieuwe eigenaar, wachtmeester Jacob Graus, had beschud aangetekend. Hij was van plan de herberg als zijn woonhuis in te richten. Met de aankoop van het huis In Den Soeten Naem Jesus, begon voor het echtpaar Dors een nieuw hoofdstuk. De herberg in de Neerstraat behoorde al gauw tot een der beste en voornaamste logementen in de stad.

In augustus 1650 komt Matthijs Dorss voor in het rijtje van nachtherbergiers, zoals daar o.a. waren Andries Bordels (in De 3 Bovenste Croonen), Peter Claessen, Peter Frias of Friot en Linnardt Lindemans.

In juli 1654 trouwde zoon Everardt Melis (1632-1669) te Weert met Catharina Meerts. Het duurt dan nog tot november 1661, wanneer het echtpaar een huis op de Steenweg koopt, voor het lieve bedrag van 1212 rijksdaalders. Het huis was afkomstig van jonker Hans Leonart Rave uit Amby (eigenaar van Ravenshof in de Linnerweerd.) Het huis stond al spoedig bekend als de herberg van De Gulden Pauw; in de wandel ook ingekort tot De Pauw. Overigens droeg ook het huis van Graus op de Markt die naam. Het huis Achter de Muur aan de Brugpoort stond tot 1603 bekend als In den Pauw en heeft die naam pas eeuwen later teruggekregen. (Hoofdgerecht 317-f.81.)

Mechteld Coopmans overleefde haar zoon Everardt. Haar andere zoon, Hendrick komt in de stukken slechts zijdelings voor. Hij stierf kort na het overlijden van zijn moeder. Zodoende zouden de kinderen van Evert 2/3 deel van de roerende en onroerende goederen erven. Het resterende derde deel zou dan aan Matthijs Dors als weduwnaar toekomen. Dit alles volgens de huwelijkse voorwaarden tussen beide echtelieden in november 1647 opgemaakt. De inbreng van Mechteld was immers vele malen groter, dan van haar derde echtgenoot. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 158-1345 en inv.nr. 160-1376.)

Grafzerk van Matthijs Dors, zijn vrouw Mechteld Coopmans en haar zoon Evert Melis in de kathedrale kerk van Roermond. Randschrift: DIT IS HET BEGRAFFENIS VAN MATTHYS DORS ENDE MECHTELDIS COPMAN SYNE HUYSVROV. In medaillon: twee wapenschilden; links: een boom met aan de voet een hert of vos; rechts: een keper vergezeld van drie kaarsen. Tekst daaronder: Ao 1676 DEN 30 7BER IS GESTORVEN MATTHYS DORS CAPitein VANDE BURGERY. ENDE Ao 1672 DEN 16 OCTOBER STARF MECHTELDIS COOPMAN SYNE HVYSVROVWE. Ao 1669 DEN 11 7BER STARF EVERHART MELIS. Bidt Godt Voor DIE ZIELEN.
(Omschrijving van de twee wapenschilden volgens dr. J.Belonje in Publications 1960-1961 pagina 242 nr. 13. Afbeelding: Jan Ruiten.)

De grafsteen is tijdens de laatste renovatie van de kathedraal in 2005 verplaatst naar de doorgang tussen doopkapel en toren.

 

Na de dood van haar schoonmoeder Mechteld Coopmans in oktober 1672 werd Catharina Meerts geconfronteerd met de erfenis ten gunste van haar kinderen. Aanvankelijk moet haar zwager Hendrick als hoofderfgenaam te boek hebben gestaan. Maar zoals eerer opgemerkt, hij komt in de stukken slechts zijdelings voor. Zekere NN Melis In den Emmerick stierf in het jaar 1673, zonder nadere datum. Dat zou dan Hendrick geweest kunnen zijn. Het klopt in elk geval met het verdere verloop van de gebeurtenissen. (GAR, register Overluijden.)

Catharina hertrouwde in juni 1672 met Joannes Anthonius Vechmer, geregeld ook Vechemaer genoemd. De zaak was toen al aan het rollen gebracht. Toch duurde het nog tot 1675 vooraleer, op aandringen van de weduwe Melis, werd overgegaan op de verdeling van de onroerende goederen. Helemaal volgens de regels is het niet gegaan. Geen officiële taxaties door onpartijdige meester-timmerlieden, -metselaars en andere deskundigen, maar de waardebepaling van de nalatenschap werd onderling geregeld. Dat daarbij het een en ander mogelijk over het hoofd werd gezien, mocht te verwachten zijn.

De twee partijen kwamen bijeen in het huis De Pauw op de Steenweg. Matthijs Dors was ondertussen in mei 1673 te Weert getrouwd met Helena Ketelaers, dochter van oud-burgemeester Cornelis Ketelers van Weert. Deze was als getuige aanwezig. Het echtpaar Vechmer werd bijgestaan door de twee voogden van de minderjarige kinderen Melis. De goederen werden volgens voornoemd huwelijks-contract in drie partijen opgedeeld. Vooreerst was daar het huis De Emmerick in de Neerstraat, geschat op 2200 pattacons. Vervolgens een bouwhof te Beesel, verderop in de stukken de Wilde Hoeve genoemd, met de landerijen, weilanden, bossen, de Hoenderkamp en de grote en kleine tienden op het land nabij de Roever. Bij elkaar geschat op 1450 pattacons. De derde kavel bestond uit een huis met moestuin Achter de Muur, geschat op 275 pattacons, aangevuld met 892 rijksdaalders uit de eerste en met 142 rijksdaalders uit de tweede kavel.

Iedereen ging hiermee akkoord, zoals blijkt uit de ondertekening door de aanwezigen. Vervolgens werd afgesproken, dat het eerste lot dat getrokken werd, zou toevallen aan Matthijs Dors, als weduwnaar van de overledene en erflaatster. De drie lotbriefjes werden in een hoed gedeponeerd en een onschuldige kinderhand trok het lot van ... De Emmerick. Dit tot schrik van de weduwe Melis. Elk ander lot had zij Dors meer gegund dan het sterfhuis van haar schoonmoeder.

Tien dagen later, op 24 mei 1675, werd hierover proces aangespannen door Anthoin Vechmer op aandringen van zijn vrouw. De voornaamste verwijten waren, dat het huis van De Emmerick veel te laag was getaxeerd. Daar moesten zeker 200 rijksdaalders bijgeteld worden. Daar had de weduwe Meerts al eerder op aangedrongen. Het was haar toen afgeraden, omdat dit ook negatief zou kunnen uitvallen voor haar kinderen, mocht het lot hen toevallen. Het andere verwijt was, dat de goederen te Beesel juist te hoog waren aangeslagen. Zij vergat daarbij te vermelden, dat dit op haar aandringen was gebeurd.

Naderhand werd geopperd, dat de loting niet eerlijk was gebeurd. Er zou met de briefjes gefoeteld zijn. En tenslotte was de hele erfdeling onwettig, omdat het onderling geregeld was en niet op het stadhuis. Ook hier vergat ze te melden, dat het haar initiatief was geweest om zodoende onnodige kosten te besparen. Dat beeld duikt op, bij het doornemen van het dikke proces-dossier.

Detail briefomslag gericht aan Helena Ketelers, de weduwe Dors, 1677.

De zaak sleepte zich voort, zonder dat er verder nog echt nieuwe argumenten werden aangedragen. Ondertussen kwam Matthijs Dors in oktober 1676 te overlijden. Zijn weduwe was gedwongen het proces alleen voort te zetten. Uiteindelijk werd de zaak eind 1681 afgesloten. Helena Ketelers, sinds kort in tweede huwelijk getrouwd met Matthijs Vernick van Thoor behield huis en herberg in de Neerstraat uit erfenis van haar overleden echtgenoot. De goederen te Beesel en het huis met de moestuin Achter de Muur vielen toe aan de kinderen van wijlen Evert Melis.

Vreemd genoeg lagen de papieren betreffende de goederen te Beesel in 1683, na afloop van het proces, nog steeds in het huis De Emmerick en de oorspronkelijke koopakten zijn ook naderhand door de rechtmatige eigenaars nooit afgehaald!

Tegelijkertijd voerden beide partijen proces vanwege de roerende goederen, afkomstig uit het sterfhuis van Mechteld Coopmans. De spullen kwamen voor 2/3 deel toe aan haar twee zoons, dan wel hun erfgenamen. Na het overlijden van Hendrick Melis, waren dat uitsluitend de kinderen van diens broer Evert zlgr. Ook hier waren grote fouten gemaakt. Een officiële inventaris was niet opgemaakt, maar een groot deel van de spullen verhuisde zonder meer naar het huis De Pauw op de Steenweg. Naderhand is hiervan een lijst opgesteld, toen de boedel geveild werd. Andere spullen zouden o.a. op de zolder van De Emmerick verborgen zijn gehouden.

In maart 1682 werd ook achter deze kwestie een punt gezet. Ondertussen was ook Anthoin Vechmer, de tweede echtgenoot van Catharina Meerts, de weduwe Melis, overleden. Haar schoonmoeder, Mechteld Coopmans, diens derde echtgenoot Matthijs Dors, en voorzoon Evert Melis lagen bijeen begraven in de kathedrale kerk. Op het graf werd een grote hardstenen zerk geplaatst. Zie afbeelding boven.

Vernick van Thoor
Christoffel Puytlinck, 1671: stilleven met vlees en dode vogels. (De afbeelding is alleen bedoeld ter illustratie en beoogt niet, dat dit werk afkomstig zou zijn van De Emmerick. Lijst en doek horen niet bij elkaar)


- keukenstilleven -

Tot de inboedel van de herberg Int Emmerick behoorde ook een aantal schilderijen, te weten enkele portretten van familieleden, zoals van de twee zoons Evert en Hendrick uit eerste huwelijk, van Peter van Helden (+1647), enkele landschappen en een keukentafereel. De lijst van de werken die aan de kinderen Melis zouden toekomen, was (in 1673) samengesteld door de vermaarde Roermondse schilder Christoffel Puytlinck (1640-1684). Volgens het onderschrift moeten daar ook enkele werken van zijn hand bij hebben gezeten. Dat wil niet zeggen, dat bovenstaand werk, dat aan Puytlinck wordt toegeschreven, eveneens afkomstig zou zijn uit De Emmerick.

De volgende werken werden genoemd: Het getal der schilderijen van de kinderen zijn deze navolgende: van hun vader zlgr. Evert Melis en hun oom Hendrick Melis: hun overoud bestevader van moeders kant 2 stukken; van hun oud-oom scholtis Schalck* 4 stukken; een crucifix; een portret van Peter van Helden (hun grootmoeders tweede man); nog een portret van hun oom (Hendrick) Melis zlgr.; een portret van de keizer; nog een geschilderde keuken; 2 geschilderde (geseilderde) landschappen in het water; nog een O.L. Vrouwebeeld in het water.
Daaronder stond: "Bekenne ik onderss. deze gedeeld en geschilderd (geseilt) te hebben." Was getekend, Christoferus Puitelinck.

* Werner Schalck, schout, o.a. genoemd in 1635-1637. Hij trouwde te Roermond dd. 27-9-1635: Agnes Everardi Coepmans, getuigen Henricus Maroyen en Godefridus Graes. Daarna komen we hem tegen als de waard in de herberg Die 3 Keijsers Croonen. Mogelijk zijn Agnes en Mechteld Coopmans, dochters van zekere Evert Jacobs (Coppen), die (in tweede huwelijk) in 1627 het huis op de hoek van de Bergstraat en de Varkensmarkt probeerde te kopen. (Zie ook: Het Duijfken.)

Bij de veiling van de goederen, zoals meubels en huisraad, werden de schilderijen niet genoemd. Die bleven voorlopig in de familie? De eventuele werken die in De Emmerick achterbleven zijn niet vermeld. Van de inboedel kwam immers 1/3 deel toe aan Matthijs Dors, weduwnaar van Mechtien Coopmans.

 
Eind oktober 1686 gaat Catharina Meerts, laatst-weduwe van wijlen Anthoin Vechmer, een lening aan van 300 rijksdaalders bij de mombers van de minderjarige kinderen van wijlen Willem van Larensbergh en Catharina Simons. Zij wordt daarin bijgestaan door haar zoon Philip Melis. Tot zekerheid stellen moeder en zoon een stuk land in de Wolfskeel buiten de stadsmuren, Philips kindsdeel in het huis De Pauw en zijn aandeel in een kapitaal van 900 rijksdaalders, staande op het huis van Den Emmerick in de Neerstraat. Het geleende bedrag zal o.a. gebruikt worden om andere leningen af te lossen. In februari 1698 wordt genoemde lening van 300 rijksdaalders met rente namens de weduwe en erfgenamen Melis afgelost door... sr. Matthijs Vernyck van Thoor. (Hoofdgerecht 319-f.245.)
 

Matthijs Dorssen trouwde in tweede huwelijk te Weert dd. 12-5-1673 met Helena Ketelaers,
dochter van oud-burgemeester Cornelis Ketelers. Matthijs Dors overleed dd. 30-9-1676. Enkele jaren later hertrouwde zijn weduwe met Matthijs van Thoor, die zich naderhand Vernyck van Thoor noemde.
Uit dit huwelijk werd een dochter geboren, met name Maria Catharina Vernick (1680-1754).
Zij trouwde in juli 1708 met Petrus Ignatius van der Vrecken.
Uit bovenstaande gegevens is af te leiden hoedat huis en herberg Int Emmerick
-in 1649 door Matthijs Dors en Mechtel Coopmans aangekocht-
van de een op de ander is overgegaan.
Na het overlijden van Maria Catharina van Thoor in februari 1754
verviel het huis aan haar kinderen, die het huis in gezamenlijk bezit hielden.
In 1768 verkochten de erfgenamen Van der Vrecken het huis aan de bewoners,
het echtpaar Painsmay-Naus, maasschippers.
Cornelis J.Delff, 1608: keuken-stilleven. (De afbeelding is alleen bedoeld ter illustratie van 17e eeuws vaatwerk.)

Matthias van Thoor (1649-1718) trouwde omstreeks 1678 met Helena Ketelers, de weduwe Dorsch in De Emmerick. Al spoedig noemde hij zich Vernick van Thoor. Uit dit huwelijk volgt een dochter. Nadat de herberg in de Neerstraat via Matthijs van Dorsch is overgegaan op zijn weduwe, nam deze het huis mee in haar tweede huwelijk. Van die tijd af bleef het huis enkele generaties in de familie.

Wijnkoopman en herbergier Matthias Vernick van Thoor was afkomstig van Venlo, jongste zoon van Mathijs van Thoor en Catharina Bystervelt. In Roermond bekleedde hij naderhand ook de functies van armen- en kerkmeester. Evenals zijn voorganger, die zijn wijn o.a. uit de streek van de Moesel haalde, kocht Van Thoor zijn wijnen o.a. te Neuss aan de Rijn. Van beiden wordt een dergelijke reis wegens hun koopmanschap terloops in de stukken genoemd.

Ook onder de nieuwe eigenaars bleef De Emmerick een van de vooraanstaande logementen in de stad. Bij inkwartiering van hoger legerpersoneel, kwamen deze nachtherbergen het eerst in aanmerking. Toch bleek in de vroege zomer van 1682 dat zekere majoor van een Italiaans legervolk niet tevreden was met zijn toegewezen ondekomen. De magistraat echter gaf te kennen dat er geen bequamere plaetsen in de stad te vinden waren voor hogere officieren dan het huis van de kruisbroeders, van Quiten en van Gelder, en de herbergen van De Drie Croonen, van Den Emmerick en van De Pauw. Voorheen waren daarover nooit klachten geweest. (GAR, Oud-Archief inv.nr. 11: Handelingen Magistraat.)

Enkele jaren terug in augustus 1679 kwam Matthijs van Thoor in aanvaring met het smedenambt. De verkoop van ijzer- en koperwaar was aan strenge regels gebonden. Nu was het gebeurd, dat Van Thoor zijn herberg had opengesteld aan een handelaar van buiten de stad. Op last van de burgemeester had het ambt beslag laten leggen op het nodige koperwerk en een koelbak, om die naar de smedengaffel te transporteren. De gerichtsbode kwam daarbij in aanvaring met de herbergier die gewelddadig verzet pleegde om het arrest te voorkomen, roepende: "Maeckt U vuyt den huyse, off der duyvel slaet U vuyt den huyse!"

Toen hem de toegang tot de betreffende kamer werd verhinderd, probeerde de bode zich alsnog via de keuken toegang te verschaffen. De herbergier werd echter geholpen door enkele officieren, die de gezagsdrager tot op de straat achtervolgden en hem dreigden om niet terug te komen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 167-1536.)

Hoezeer de herberg van De Emmerick in zijn tijd tot een voornaam logement was uitgegroeid, blijkt wel uit onderstaand knipsel uit een krantenartikel (dd. 2-3-1913) aan de hand van dhr. A.F. van Beurden.

verval en herbouw
 

De Emmerick gaat vervolgens over op de enige dochter Maria Catharina Vernick van Thoor (1680-1754), in juli 1708 getrouwd met Peter Ignace van der Vrecken (1669-1731), controleur der licenten (contrerolleur). Zij waren in hun huis op de Steenweg gaan wonen.

Dat was overigens niet zomaar willekeurig een huis. In november 1708 had het echtpaar Vrecken-van Thoor voor 1750 pattacons gekocht het huis van De Pauw van Catharina Meerts, de weduwe Melis en haar kinderen. (Hoofdgerecht 323-f.33 e.v.)

Het huis in de Neerstraat werd De Emmerick verhuurd aan het echtpaar Bedber. Daarvan werden meestal geen meldingen gemaakt in de archieven van stad en land.

Met st. Remigy 1727 is de huur van het huis afgelopen. Hendrick Bedber en Maria Crynen blijken achteraf bij slot van rekening nog 158 pattacons aan achterstallige huur schuldig te zijn. Dat geld hebben zij niet en daarom wordt in de zomer van 1731 de schuld omgezet in een lening, tegen een jaarlijkse rente van 4 procent. Tot onderpand stellen de echtelieden hun twee huizen op de Markt, het huis Het Gouden Hoofd en het huis Den Gulden Rinck. Het echtpaar wist de achterstallige huur alsnog in maart 1734 te voldoen. (GAR, archief Hoofdgerecht inv.nr. 328-f.45.)

In die jaren stond De Emmerick nog bekend als herberg en wijnhuis. In november 1725 gaven de pachter en de geassocieerden der wijnaccijns (waaronder de wijnschenker Hendrick Bedber) volmacht aan de advocaat J. van Pallant, om stappen te ondernemen tegen diverse raadsheren van het Hof van Gelder, tegen enkele kloosters en tegen andere "defaillanten" die al sedert enkele jaren hun verplichtingen betreffende de wijnaccijns schuldig ware gebleven. (Hoofdgerecht 326-f.240.)

Daarna heeft bierbrouwer Mathijs Flodrop (1670-1736) er gewoond. Dat blijkt uit een verklaring van diens zoon Theodorus, ruiter, in 1739. Die sprak toen over Den Emmerick, "geweest sijnde de wooninge van sijn vaeder." Twee panden verder richting Brugstraat stond zijn eigen huis, waarschijnlijk afkomstig van moeders kant, Gertrudis Cox, de weduwe Hendr. Vlodorp.

Daarna kwam er een periode van verval. In de jaren '30 heeft het huis De Stadt Emmerick gedurende vijf jaar leeggestaan. Vervolgens had de molenbaas er twee jaar gewoond. In 1739 werd het huis in huur aangenomen door de procureur Smabers. Aan De Emmerick moest nog veel aan schterstallig onderhoud gerepareerd worden. Toch blijkt, dat de huurder er geregeld gasten had ondergebracht, die aanvankelijk hun logement in Den Keijser, verderop in de Neerstraat, hadden gevonden.

Andreas Smabers had in die tijd ook het huis Den H. Geest gehuurd en in 1731 de uitspanning De Keyser, aanvankelijk voor de duur van zes jaar en vervolgens nog eens voor drie jaar. Nog voordat de huur zou aflopen had hij met zijn gezin en personeel intrek genomen in De Stadt Emmerick. De eigenaresse van Den Keijser verweet hem, dat hij haar huis toen enkel nog gebruikte als opslagplaats, in plaats van herberg. Dat zou de uitspanning een slechte naam geven.

Procureur Smabers sprak dit tegen. Hij had het huis aan zijn oudste zoon, de landmeter J.J. Smabers verhuurd, terwijl hijzelf in De Emmerick was gaan wonen. Naderhand weersprak hij zich en verklaarde hij, dat de gerechtsbode zijn verklaring verkeerd had begrepen. Ook ontkende hij, dat hij gasten naar De Emmerick had doorverwezen. Het was alleen gebeurd, toen hij meer gasten in De Keijser op bezoek had, dan hij kon bedienen. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder te Venlo, inv.nr. 424-4450.)

In januari 1752 maakte de weduwe Van der Vrecken haar testament. Als haar erfgenamen benoemde zij haar zoon Jacob Antoin en dochter Isabella Barbara, e.v. schout Peter Francis Meijer, de enige twee van haar kinderen die toen nog in leven waren. Vervolgens de kinderen van haar overleden zoon Peter Mathijs van der Vrecken. Alzo elke partij voor een gelijk derde deel. De overige bestemmingen had zij genoteerd in een klein boekje in folio met een kaft van bont papier, en met groene linten. (Hoofdgerecht inv.nr. 358: testamenten.)

Van de nagelaten goederen, noemen we hier de bouwhof Rourbosch buiten de stadsmuren (tegenwoordig het kasteeltje Hattem e.o.), de pachtboerderij Heijsteren in de Linner Weerdt en het huis Int Emmerick in de Neerstraat.

In augustus 1752 namen de buren een lening op hun huis. Huisnummers waren er toen nog niet. Daarom werden naast de straatnaam ook de twee panden aan weerszijden genoemd. Voor die tijd was dan kenbaar genoeg. Het huis was gelegen in de Neerstraat naast "de Herberge genaemt De Stadt Emmerick".

 

In juli 1761 gaven de erven van wijlen postmeester Peter Mathias van der Vrecken, in zijn leven postmeester te Maastricht, en van Isabella Suyskes het huis van De Emmerick in de Neerstraat in belening aan Pierre Joseph Painsmay en Joanna Maria Naus voor 1225 pattacons, voor de duur van telkens 9 jaar. Net zolang tot de aflossing van de beleensom. Het huis was bij de belening zwaar onderkomen en bevond zich in een ruïne staat. Herbouw, dan wel renovatie was hoog nodig. De nieuwe bewoners gingen voortvarend te werk. Voor de verbouw en reparaties had Painsmay de meester-timmerman Martinus Boncour ingeschakeld, evenals meester-metselaar Caspar Sion en de leidekker Martinus van Beringen, tevens meester-pompenmaker. Boven de poort werd een sluitsteen geplaatst met de naam van de opdrachtgever en het jaartal van afsluiting: "PIERRE JOSEPH PAINSMAY = LOUE SOIT JESUS CHRIST = AINSI SOIT IL = ANNO 1762"

In september 1768 werd deze belening omgezet in definitieve verkoop voor het bedrag van 2938 pattacons. Daarvan werd in mindering gebracht de kosten van herstel en verbouwing, te weten 1763 pattacons. (Hoofdgerecht 339-f.83 e.v.)

Het huis bezat recht van waterloop over meerdere erven, voor de afvoer van bijvoorbeeld overtollig regen- en keukenwater. Waarschijnlijk was De Emmerick (nog in 1823 zo genoemd) al geruime tijd niet meer als herberg in gebruik. Zeker gezien de vervallen staat waarin het pand in 1760 verkeerde. De ouders van de postmeester bewoonden al lang voordien een pand op de Steenweg, waar P.I. van der Vrecken in februari 1731 overleed en in februari 1754 diens weduwe. Het is duidelijk, de hoogtijdagen van De Emmerick als toonaangevende herberg in Roermond, waren al sinds lang verleden tijd. Sedert de herbouw, was het huis gedurende enkele generaties een koopmanshuis. De bewoners dreven handel als maasschipper.

Van de verbouwing
in 1661/62 is alleen de sluitsteen boven de poortweg met de
de sierlijst gebleven.
Maar niet meer op de oorspronkelijke plaats.
Een halve eeuw later
werd de steen naar
elders buiten de stad gebracht. Waar die
steen terecht kwam?
Het antwoord bevindt
zich achter het poortje. Menige passant wordt
er nog door op het verkeerde been gezet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Joanna Maria Naus (1729-1812) was in eerste huwelijk in februari 1756 te Roermond getrouwd met Joannes Tillemans, schipper en koopman uit Boxmeer. In die plaats werd hun zoon Johan Baptist (1757-1793) geboren. Zijn peetoom was niemand minder dan de hooggeboren Johan Baptist van Hohenzollern-Sigmaringen, heer van Boxmeer en burggraaf van den Bergh, alias de dolle graaf. Deze is overigens niet zelf bij de doop aanwezig geweest. Een half jaar later, in augustus 1757 stierf de vader.

De weduwe Tillemans hertrouwde in 1758 met Pierre Joseph Painsmay (+1789), eveneens maasschipper en koopman. Hij was weduwnaar uit eerder huwelijk met Sibilla Schoncken. Uit dit huwelijk was een dochter geboren, met name Margaretha. (Hoofdgerecht 231-2889.) Uit dit voor beiden tweede huwelijk zijn zes kinderen bekend.


Baptizavi Joannem Baptistam filium Joannes Tilemans et Joanna Maria Nauts, conjugem,
suscept: excellissimo domino Joannes Baptista comte de Berg-Hoogenzollern-Zigmanny,
et supremo domino testitorus Boxmeranis etc. hujus loco expertissimo domino Henrico van Elswijck,
et domicella Anna van Anray.

J.P. Painsmay zal de herbouw van het huis in de Neerstraat meteen bij de belening zijn begonnen, om van de Emmerick zijn thuishaven te maken. In die richting verwijst ook de sluitsteen boven de toegangspoort. Bij latere verbouwingen is de steen verdwenen om elders weer op te duiken.

Nog in 1793 werd het huis "De Stadt Emmerick" genoemd, wanneer buurman P.P. Engell zijn huis in de Neerstraat voor 475 pattacons verkoopt aan de weduwe Painsmay. (Hoofdgerecht 344-f.108.) De Emmerick werd in die tijd geschat op 2.500 pattacons. Daarnaast was er nog een huis richting Markt links op de hoek van de gats, ter waarde van 2.000 pattacons. De huizen zouden, zo hadden Painsmay en zijn vrouw besloten tussen de zoons uitgeloot worden. De overige kinderen zouden vervolgens uit de roerende middelen hun deel krijgen. (Hoofdgerecht 231-2889.)

Na het overlijden van haar man zet de weduwe de maashandel nog even voort. Maar wanneer ook haar oudste zoon en diens vrouw kort na elkaar komen te sterven, worden de schepen al spoedig verkocht. De handel in koopwaren blijft voorlopig bestaan. Het gewonnen kapitaal wordt belegd in leningen dan wel besteed aan het verwerven van onroerend goed. Meerdere hypotheken worden verstrekt aan mensen van buiten de stad, in Maasniel, Sint-Odilienbërg en Herten. Hier en daar worden losse percelen akkerland opgekocht om ze vervolgens te verpachten. Voor en na worden de schepen van de hand gedaan.

In maart 1793 had Gerard Claessen, maasschipper, op rekening van de weduwe Painsmay te Dordrecht 350 zakken zwaar geraffineerd wit zout gekocht en te Kesseleik op een ander schip had overgeladen, met de mededeling dat het zout bestemd was voor de weduwe. Dit huurschip kon echter op last van de Fransen niet verder varen. Zij hadden de maashandel ter plekke stilgelegd. Een andere schipper had daarop verzekerd dat de lading alsnog geleverd zou worden. (GAR, archief notaris Schreurs inv. nr. 5.20 akte 16.)

In augustus dat jaar verkocht de koopvrouw haar schip de Mignol, gelegen in de haven, met de mast en toebehoren, twee ankers, drie vorken, en vier "poetingen" aan Steven Gubbels, maaschipper uit Tegelen, voor 1300 gulden Hollands geld. De schipper beloofde hierbij voor de weduwe franco 200 zakken zout uit Dordrecht te leveren. (GAR, archief notaris Schreurs inv. nr. 5.20 akte 17.)

In mei 1794 verkocht de weduwe Painsmay aan dezelfde maasschipper een "ponte-spierling", gelegen aan het Steil voor 4000 gulden, Kleefs geld, en een paarden-pont voor 25 pattacons, of 100 gulden en een anker voor 28 gulden. Verder was bedongen, dat Gubbels van zijn eerste vaart naar Dordrecht voor verkoperse franco zal leveren 150 zakken zout in ruil voor een klein anker en een "smak". Het jaar daar voor had hij al van de weduwe een ander schip gekocht, de Miguel. (GAR, archief notaris Schreurs inv.nr. 5.21 akte 11.)

In juni 1793 ondertekende dhr. P.P. Engell het koopcontract, waarin hij zijn huis in de Neerstraat verkoopt voor 450 pattacons aan de weduwe Painsmay. Het huis met de moestuin was gelegen tussen het pand van De Stadt Emmerick en het huis De Blauwe Hand. Het huis was belast met een kapitaal van 145 pattacons bij de erfgenamen Kroonenbroek. (Hoofdgerecht 344-f.110.)

erfgenamen Painsmy
 

Naderhand blijven alleen haar zoon Mathias Emanuel Painsmay (1764-1823) en haar kleindochter Joanna Maria Judith Tillemans in het koopmanshuis in de Neerstraat wonen, met het huispersoneel en een winkeljuffrouw. Het huis De Emmerick, zo nog genoemd in 1823, was in volle eigendom op voornoemde Mathias overgegaan. Dat blijkt uit de Memorie van Successie die na zijn overlijden werd opgemaakt. Het huis werd toen geschat op 3200 gulden. Ook het pand met tuintje naast het sterfhuis, geschat op 1500 gulden, stond toen op zijn naam. In dezelfde straat bezat de ongehuwde zoon van het echtpaar Painsmay nog een huis (nabij het Eselstraatje) ter waarde van 2200 gulden. En ten vierde stond "Achter de Muur" nog een buiten gebruik gestelde zeepziederij met bakken, ketels en verdere toebehoren, gewaardeerd op 1750 gelijke Nederlandse guldens. De twee laatstgenoemde panden zouden vererfd worden via zijn zuster Maria Barbara Painsmay, de weduwe Beerenbroeck uit Weert.

Overige erfgenamen waren zijn zuster Maria Catharina Painsmay, weduwe van Hendrik G. Frencken. Jan Willem Baerts te Hasselt, mede namens zijn kinderen uit huwelijk met Joanna Geertrui Painsmay. En als vierde Joanna Maria Judith Tillemans (1786-1843), enig kind van wijlen Jan Baptist Tillemans (1757-1793), in zijn leven koopman en halfbroer van de overledene. Hij was in augustus 1784 te Urmond getrouwd met Maria Ida Jorissen (1753-1793). Het pand De Emmerick en het huis ernaast stonden naderhand op naam van Jan Baptist Vanstraaten, die in september 1828 was getrouwd met juffrouw Tillemans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het huis De Emmerick, hiernaast volgens het kadaster van 1843, kent dan nog steeds de steenweg, zoals ook te zien is op de kaart uit 1671, en ruim daarvoor al genoemd werd. De drie panden in kleur stonden in 1843 op naam van J.B. Vanstraeten, rentenier. In hoeverre de perceelgrenzen gelijk zijn aan de situatie in de 17e eeuw, is niet aan te geven.

Jan Baptist Vanstraaten (1787-na 1850) uit Oud-Zevenaar (Gelderland), was in september 1828 te Roermond getrouwd met Johanna Tillemans (1785-1843). Zijn vrouw woonde al voor het huwelijk in het huis nummer 227 in de Neerstraat. Toen was haar halfoom Mathias E. Painsmay (1764-1823) de hoofdbewoner. Hij was de oudste zoon van Pieter Joseph Painsmay en Joanna Maria Naus, maasschippers en kooplieden.

Het koopmanshuis was aan juffrouw Tillemans middels erfenis toegevallen. Dat bijkt uit de stikken van de notaris, opgemaakt na haar overlijden. Voor haar huwelijk was zijzelf nog werkzaam als negociante, terwijl haar toekomstige echtgenoot de kost verdiende als wijnhandelaar. Tijdens hun huwelijk leefde het echtpaar vooral van de inkomsten uit hun uitgebreide bezittingen. Buiten de vele verspreid liggende akkers in de nabije omgeving van Roermond, onder Herten, Lerop, Vlodrop, Maasniel en Swalmen, waren er de pachthoeven, zoals het Steenhuis te Lerop, de nieuwe ontginning van De Dennenhof aldaar (aan de Molenveldweg) nabij de Linnerheide, de boerderij Moorsel aan de Bergerweg te Vlodrop, de twee belendende huizen aan weerszijden van De Emmerick in de Neerstraat en een huis aan de Wittenberg (nabij de Lousbleik) buiten de stad.

Na haar overlijden in 1844 kwamen de erfgenamen overeen om de afzonderlijke bezittingen bij veiling te verkopen. Dat gebeurde in de herberg van Andriessens aan de Grote Markt, voorheen Het Gulden Hoofd genoemd. Johan Baptis Vanstraaten bezet de helft der goederen in volle eigendom en van de wederhelft het vruchtgebruik. Die ander helft was over zeven staken te verdelen. Dat waren vooreerst de erfgenamen van vaders kant, van diens halfbroers en -zussen. Vervolgens de naaste erfgenamen van moederszijde te Urmond, de familie Jorissen. (GAR, archief notaris F.W.Milliard inv.nr.12-319 akte 211.)

Bij de openbare verkoop in september 1845 werd door niemand van de gegadigden geboden op de huizen in de Neerstraat. Andere percelen werden de volgende dag weer ingetrokken, omdat de familie niet tevreden was met de koopsom. Drie maanden later volgde daarvoor een herkansing. (GAR, archief notaris F.W.Milliard inv.nr.12-323 akte 264.)

De Hoeve Moorsel met ruim 26 bunder akker- en weilanden, heide en struikgewas ging voor 7.210 gulden aan Hendrik Frencken, brouwer te Roermond. De koop werd ingetrokken en naderhand voor 7.750 alsnog aan genoemde Frencken.
Het Steenhuis met ruim 21 bunders ging voor 12.500 gulden over op Frans Michiels van Kessenich. De koop werd ingetrokken en naderhand voor 14.100 aan genoemde Michiels van Kessenich.
De Dennenhof, bijna 19 bunders groot, ging voor 7.300 gulden naar Frans Janssens te Linne, namens zijn moeder Cunigonda van den Schoor op huis Ravenburg.
Ook het woonhuis te Lerop voor 285 gulden aan Matthis Clout te Lerop ging aanvankelijk niet door. Naderhand verwierf hij alsnog het huis voor 305 gulden.
Het huis aan de Witteberg ging voor 1.500 gulden aan Marie Frencken, de weduwe Schaetsen. Zij was een zus van voornoemde bierbrouwer.
Het ene huis in de Neerstraat (nr. 12) werd aangekocht door Louis van den Bongaert, schrijnwerker, voor 2.000 gulden en het andere huis (nr. 8) door dhr. Modeste Ramakers voor 2.800 gulden.

 

 



Hieronder:
Gevels in de Neerstraat (1984) met in het midden het voormalige pand De Emmerick. (GAR: geveltekeningen blz. 95.)

Het hoogste bod voor het "grote en sterke huis" met pakhuis en opvaart in de Neerstraat (nr. 10) eindigde bij 5.110 gulden door Hendrik J.G. Frencken (1797-1856), bierbrouwer, in huwelijk met Maria E. Janssens. Na onderling beraad besloten de erfgenamen, dat de prijs te laag was. De koop ging niet door. Pas twee jaar later, in juli 1847 verwierf de bierbrouwer alsnog het huis voor 6.650 gulden. Hij en zijn zus Marie waren kinderen uit huwelijk van Henricus G. Frencken en Maria Catharina Painsmay, en aldus mede-erfgenamen van de overledene. (GAR, archief notaris F.W.Milliard inv.nr.12-348 akte 166.)

Het achterplaatsje met de kalkkuil en de keuken, afkomstig van het buurhuis was bij eerdere zitting weer aan dat huis (nr. 8) toegevoegd. De kalkkuil kan op bouwwerkzaamheden wijzen. Bij die gelegenheid is voornoemde sluitsteen verwijderd naar hun pachthoeve het Steenhuis te Lerop. Na haar overlijden werd de boerderij verkocht, maar boven het toegangspoortje prijkt een oude sluitsteen, afkomstig van het huis De Emmerick uit 1762...