............ Een huis in de stad







 

 

 

 



















Laatst bijgewerkt: 22-03-2015 © Jan Ruiten

EEN HUIS IN DE STAD

Een toevluchtsoord om het oorlogsgeweld te ontlopen? De werkelijke reden, die zij hadden, is niet bekend. Voor en na 1600 kochten pachters uit de omgeving een huis in de stad. We zitten dan midden in een woelige tijd, die wij de 80-jarige oorlog noemen. Soms kende men jaren van betrekkelijke rust, maar dat kon plotseling omslaan in niets ontziend oorlogsgeweld. Zou dat de reden zijn geweest, om alvast over een veilig onderkomen te kunnen beschikken? Het werk op de boerderij ging door, zolang het krijgsvolk uit de buurt bleef. Het huis in de stad werd verhuurd. Of daarbij werd afgesproken dat de eigenaar er tijdelijk kon inwonen, tot het krijgsrumoer was gaan liggen? Dat staat nergens beschreven.

Dat welgestelde burgers hun geld belegden in pachtboerderijen en landgoederen buiten de stad is algemeen bekend en veelvuldig beschreven. De geschiedenis van menig buitengoed is meestal de geschiedenis van kooplieden, landadel en riddermatigen.

Dat het omgekeerde ook het geval is geweest is minder bekend. Pachters en halflieden uit de omgeving gingen er voor en na toe over een huis in de stad te verwerven. Niet zozeer om het goedverdiende geld te beleggen in onroerend goed, zo lijkt wel. In rustiger tijden kocht men eerder huisplaatsen in het eigen dorp als nalatenschap voor de kinderen.

Gezien de tijdsomstandigheden ligt het voor de hand, dat men zekerheid had gezocht om enige tijd een onderkomen binnen de stadsmuren te hebben. Naderhand ging de stad ertoe over de huur voor deze huizen extra te belasten, omdat haar burgers voor de goederen op het platteland ook hoger werden aangeslagen.

Voor alle duidelijkheid, dit artikel gaat niet over mensen van buiten, die het verkozen om in de stad te gaan wonen, om daar een nieuwe toekomst op te bouwen. Ook buitenlui, die uit erfenis een huis binnen de stadsmuren verwierven, blijven hier buiten beschouwing.

Willem Helwegen op de Lillaert kocht in 1586 een huis in de Neerstraat, maar bleef boeren op zijn boererij in Linne. Gerard Kempkens op Munnichsbosch kocht in 1591 een huis in de Oliestraat. Goerdt Maessen uit Maasniel kocht in 1598 een huis in de Hamstraat tegenover de kruisbroeders. In 1599 kocht Frederick Scholten, molenaar en pachter van het Munster, een huis in de Bakkerstraat. Schepen Reinboom uit Sint-Odiliënberg kocht in 1602 een deel van een groter huis, eveneens in de Hamstraat.

Bij de situering van de huizen in de stad is uitgegaan van meerdere akten uit de overdrachtsboeken, ook van de huizen in de naaste omgeving. In het ene geval was er weinig onderzoek voor nodig, een andere keer was het wat lastiger de juiste plaats te bepalen. Mochten nieuwe gegevens opduiken, dan wordt de betreffende illustratie vervangen. Zie overzichtskaart onderaan pagina.

 

Willem Helwygen op gen Lyllaer

De Lillaert was een boerderij in het Linnerveld aan de Montforterweg. Daar lagen nog enkele andere goederen, zoals de Roulaert, maar daar was geen boerderij aan verbonden. De Lillaert was een leengoed van het Hof van Gelder.


Dreess Cannegieter consensu Helwig uxoris en Goert In den Yserencraem consensu Hylken uxoris et vendiderunt 1 huis cum suis juriby, geleghen in die Nederstrate neest Johan Kremers und Johan Scherers kinderen erf (aan) Willem Helwighen van ghen Lehler (en) Marien uxoris ac suis. dd. 8-10-(15)86. (GAR Archief Hoofdgerecht inv.nr. 311 fo.391.)

In december 1553 liet Heyn op gen Leilaer zijn boerderij te Linne voor de leenhof overdragen op Willem Helwygen. Zijn achternaam staat nergens vermeld. In de omgeving stond hij bekend als Heijn op gen Lehler. Hij was al op leeftijd, kon het werk niet meer aan en waarschijnlijk had hij geen kinderen die de boerderij zouden overnemen. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 1043.)

De overdracht vond ook ter plekke in Linne plaats, met halm, hand en mond in aanwezigheid van getuigen. Voor de meeste mensen was dat in feite de echte overdracht.

Willem was nog jong en in de kracht van zijn leven. Hij verhief het leengoed op de Lyllaert nog eens in 1556 en andermaal in 1582. In 1603 ging de boerderij over op zijn zoon Willem en consorten.

In oktober 1582 kochten Willem Helwigh van gen Lehler en vrouw Marie een huis in de Neerstraat van de gezwagers Dreess Cannegieter en Goert In den IJserenCraem. Het huis was een afsplitsing uit een groter geheel op de hoek onderaan de Bergstraat, vanachter uitkomend op de gats. Het huis Den Engel moet voorheen een opvallend groot gebouw zijn geweest, aangezien ook de andere delen voor goed geld verkocht werden. Tien jaar later stond (dit deel van) het huis nog steeds op naam van Willem Helwich op gen Leeler.

Volgens aantekening uit maart 1601 was Willem ondertussen hertrouwd; opnieuw met ene Marie. Zij droegen het huis in de stad over op Willems kinderen. Dat waren dus zoon Willem Helwichen en vrouw Marie, diens broer Johan en vrouw Mettgen (Brouwers) te Ool, broer Jacob met vrouw Jenneke en hun zwager Goddart Stockmans als man van Lyssken Helwichen. Ook werden de kinderen van schoonzoon Peter van Poll genoemd. (GAR Archief Hoofdgerecht Roermond inv.nr. 312.)

Diezelfde dag verkochten de kinderen Helwichen het huis voor 1050 gulden aan de hamaker Willem Hillen. In mei daaropvolgend liet Hillen aantekenen, dat hun vader Willem Helwichen van gen Lillar in de Paasweek te Linne was gestorven en begraven.

De hof op gen Lyllaer bestond uit huis met schuur, mesthof, moestuin en een kempke, samen 2 morgen groot. De Smeelenkamp, 7 morgen groot, tussen de Montforterweg en de Heystraat, grensde aan de huisplaats. Nog een stuk land van 6 morgen aan de Waerderweg, 2 morgen bos en tenslotte enkele morgen in het Lillaersbroek. (RHCL Archief Hof van Gelder te Roermond inv.nrs. 1650, 1084 e.a.)

Meer over de hof op Lillaerdt is te lezen op de pagina over Middeleeuwse bewoning op de Linnerhei.

 

Jan en Gerard Kempkens uit den Munnichsbosch

In juni 1598 droegen Johan Kempkens de jonge (x Grietgen) en broer Rutger in erfwisseling aan hun oom Gerhart Kempkens en vrouw Geertgen Storms een schuur en tuin op de Hamstraat tegenover de kloosterpoort van de Munsterabdij. In ruil kregen de broers daarvoor de goederen onder Merum en Linne. In 1604 stond de schuur nog steeds op naam van Gerardt In gene Munnickshof.

Hun ouders hadden de huisplaats in de stad nog niet zo lang in bezit. In december 1591 had Sybert van Reydt de schuur en de poortweg van zijn huis afgepaald en verkocht aan Jan op den Camp en vrouw Itgen. Daarbij werden over de erfscheiding enkele afspraken gemaakt, over de afvoer van het regenwater, het dichtmaken van vensters enz.

Dat was niet het enige bezit van de pachter binnen de stadsmuren. Al in juni van voornoemd jaar 1591 hadden Gyrken Kempkens en vrouw Goertge drie delen in een huis vooraan in de Oliestraat gekocht van Willem Puyll en vrouw. Toch duurt het nog bijna twintig jaar vooraleer het echtpaar het resterende vierde deel in eigendom verwierf, hoewel de volmacht tot verkoop al in 1599 was afgegeven!

Daarna werd het huis van Gerardt van den Camp nog enkele keren genoemd. In 1617 blijkt de pachter te zijn gestorven. Als naaste erfgenamen gelden onder andere de kinderen van zijn broer. In november van dat jaar kocht Jan van den Camp (x Grietgen), waarschijnlijk identiek aan genoemde Johan Kempkens de jonge, van Merten Maessen en vrouw Geertge de halfscheidt van het huis.

De wederhelft van het huis in de Oliestraat kocht Jan diezelfde dag van de overige verwanten. Daaronder herkennen we Lietgen Beusers en vrouw Baetse uit het Reutje, verder Jan Storms, Thonis Kempkens en Peter Corsten, allen met de vrouw en (voornoemde) Rutger van den Camp voor zich.

Jan Kempkens, alias op den Camp, is zijn oom opgevolgd als pachter: in november 1635 stond het huis op naam van de halfman in den Moninxbosch. In 1653 verkochten Peter Houben uit Posterholt en (vrouw) Jenne Kempkens het huis in de Oliestraat.

De schuur in de Hamstraat tegenover de kloosterpoort stond in 1626 op naam van Siebert Halfkan Deze blijke al tien jaar eerder te zijn getrouwd met Gerarda uut ghen Raetien. Het is dus mogelijk dat zij de schuur middels verwantschap hebben verworven.

 

Goerdt Maessen op de Wijerhof

Met Goerdt Maessen bedoelen we Goerdt Baeckhoven uit Maasniel. In februari 1598 hadden Corst Maessen en vrouw Marie van de erven Nobis een huis op de Hamstraat gekocht, tegenover het klooster van de kruisbroeders. Nog geen jaar later zijn de echtelieden kort na elkaar gestorven. In december 1598 kocht Goerdt Maessen de helft van de erfgenamen van (zijn oom? broer?) met belofte al diens schulden te betalen. Kort daarop verwierf hij ook het andere deel.

Goerdt woonde met zijn vrouw Lisken Lindemans en dochters op de Wijerhof achter Maasniel. Plannen om in de stad te gaan wonen had hij niet. Maar uit eigen ervaring wist hij, dat men onder dreigend krijgsgeweld in de stad veiliger was dan op de hoeve buiten het dorp. (Zie: Jan Ruiten Onder den Klockenslagh van Neel blz. 164.)

Zo wist zijn dochter Marie jaren later nog te getuigen, dat zij vaker een convents kind werd genoemd, omdat zij was geboren in het klooster waar het gezin zijn toevlucht had genomen. Dat was nog voordat haar vader het huis in de Hamstraat had gekocht.

Marie was in eerste huwelijk getrouwd met Thijs Thijssen van Vlodrop die de pacht op de boerderij buiten het dorp overnam. Na diens overlijden hertrouwde Marie met Gerardt van Bree, de nieuwe pachter. Haar zus Margriet was getrouwd met Jan Sillen uit Swalmen. Zij woonden jarenlang op het Gemaal (de stadsmolen?).

In juli 1621 ging het echtpaar Maessen een ruil aan met hun schoonzoon Thijs en dochter Marie. Het jonge stel verwierf daarbij het huis met de schuur en de poortweg op de Hamstraat in ruil voor twee stukken land te Leeuwen.

Uit de volgende akte blijkt dat Thijs toen inderdaad de pacht op de Wijerhof had overgenomen. In juli 1722 verkochten Thijs Thijssen en Marie Baeckhoven (stamouders van de bekende familie Thissen te Roermond) het huis tegenover de kruisboeders aan Johan Snijders, kanunnik van de H. Geest en president van het Seminarie. Spoedig zou het huis aan het achterliggende seminarie worden toegevoegd.

Waarschijnlijk was Geurd Maessen het wat rustiger aan gaan doen. Hij was ondertussen in tweede huwelijk hertrouwd met Neeske Beurskens. In 1627 blijkt hij deelgenoot te zijn in het huis op de hoek van de Varkensmarkt en de Bergstraat. Na overlijden van Maes Bartelmans ging het huis over aan de erfgenamen van diens vader.

Geurd Maessen, schepen te Maasniel blijkt daarin voor 1/6 deel te zijn gerechtigd, danwel voor 1/3 deel van het halve huis. Maes Bartelmans was de stiefvader van Dries van Houtem, wiens ouders het huis na de stadsbrand van 1554 nieuw hadden opgetimmerd. Dries was op zijn beurt een halfbroer van Guerdt Brouwers van Ool. Juist ja, de broer van Marie Brouwers. Zie boven onder de kinderen van Willem Helwygen op de Lillaer.

 

Frederick de Mullener tot Merum

In mei 1599 kochten Frederick Scholtissen en vrouw Neliske een huis in de Beggartstraat met de lege timmerplaats er tegenover. Frederick Mullener van Merum zal het huis verhuurd hebben, terwijl hij als molenaar in Merum bleef wonen.

Later dat jaar was Frederick als getuige aanwezig bij de doop van de kleine Anna, dochtertje van Goswin van Oeffelt, samen met Judith op de Moellen(!) als meter. Het was overigens niet de enige keer dat de mulder van Merum als zodanig in de stad was. (Overigens zou voornoemde Judith de vrouw van Joost Scheijven geweest kunnen zijn, eigenaars van de volmolen op de Roer.)

In maart 1582 kreeg Frederick de kans om de pacht op de korenmolen te Echt over te nemen, waarvoor hij twee borgen stelde, die bij misbetaling zijn schulden zouden willen overnemen. Naderhand blijkt hij dus weer in Merum te zijn teruggekeerd.

In de schatboeken van Herten, die in kopie zijn toegevoegd aan het omvangrijke procesdossier tussen de stad Roermond en de gebroeders Spee, komt "Frederick den Muller" al in 1575 voor als grondeigenaar te Merum. Naderhand (1612) werd Frerick Scholten niet alleen voor de 6 bunder land van z'n eigen, maar ook als pachter (van het Munster) aangeslagen.

Nog in 1625 stond het huis in de stad op naam van Frederick Scholten, de molenaar. Datzelfde jaar werd hij ook genoemd: Frederick Muller te Merum. In juli 1630 staat het huis nog steeds op naam van Frederick Mullers.

Voor het laatst wordt Frederick Scholten genoemd in de schatlijst van datzelfde jaar 1630, wanneer hij met consorten wordt aangeslagen voor 4 bunders en 1 morgen land, waarvan hij nog nabetalingen doet in 1632 en de laatste in mei 1633. Maar al in juni 1632 staat het huis in de Bakkerstraat op naam van zoon Claes Scholten, schoolmeester. Het kan dus zijn, dat die laatste betaling ook door hem gedaan is. Frederick Scholten, molenaar te Merum, leefde van ca. 1550-1632.

Een uitgebreider verslag over Frederick en zijn erfgenamen is elders op deze site te vinden onder het hoofdstuk Herten onder de noemer Mulder te Merum.

 

Hendrick Reinboom en vrouw Trincken

Bij het vastleggen van de koop in het overdrachtregister, werd zelden of nooit de reden van de aankoop toegelicht. Vast staat in elk geval, dat de kopers er zelf niet zijn gaan wonen. De gebroeders Kempkens bleven wonen op de abdissenhof tussen Sint-Odiliënberg en Montfort, Willem Helwegen bleef boeren op de Lillaert, en Scholten bleef na zijn terugkeer uit Echt tot zijn overlijden op de Merummermolen wonen.

De volgende overdracht is in dit opzicht nog de meest doordachte. Het betrof namelijk geen aankoop, die eerder definitief is, dan wel een pandschap voor de duur van telkens zes jaar. Schepen Hendrick Reinboom woonde met zijn vrouw Trincke aan het valderen net buiten het dorp Sint-Odiliënberg. Naar gelang de omstandigheden kon Reinboom de pandschap zonder veel omhaal weer inlossen.

In december 1602 verkochten Hendrick Byns en vrouw de affbehanck naast hun huis in de Hamstraat aan het echtpaar Rinbooms voor de som van 160 gulden. Daarvoor zou hij de uitbouw aanpassen en van deuren en ramen voorzien, met een kelder ondergraven en andere werkzaamheden verrichten, zodat de aanbouw als een volwaardige woning gebruikt kon worden. Hendrick mocht er ook een schuur bijtimmeren, mocht hij dat nodig vinden, en kreeg hij het gebruik van de put. Kort na de aankoop stierf Trincke Beusers en Hendrick hertrouwde met Lisken van Poll uit Linne.

Het eerste huwelijk van schepen Reinboom met Trincke Beusers was kinderloos gebleven. Haar erfgoederen (in het Reutje) vielen na haar overlijden terug naar haar naaste familie. Hoewel Hendrick daarover zijn levenlang het tochtrecht bezat, hebben de overigen dit recht afgekocht.

Uit dit tweede huwelijk zijn drie kinderen bekend, de dochters Mercken (x Simon Brentgens) en Thrincken (x Willem Janssen) en zoon Willem Rijnbooms. De laatste was o.a. pachter op de Aerwinckel te Posterolt. Schoonzoon Simon Brentjens was jarenlang schepen in het gerecht van Sint-Odiliënberg, zoals Hendrick Reinboom zelf voordien van (voor) 1588 tot zijn overlijden in 1615.

De familie Reinboom is midden 19e eeuw in mannelijke lijn uitgestorven. (Zie Jan Ruiten: Wilken ayn gen rinboum in Roerstreek 2002, blz. 161 e.v.)

 

Johan Joosten ofte Ceuben

In maart 1673 liet de weduwe Solemaeckers vastleggen, dat haar huis op de hoek van de Oliestraat tegenover de Meelwaag was belast met een kapitaal van 100 rijksdaalders. Dat was al zo toen zij het huis kochten en toentertijd van de koopsom in mindering werd gebracht. Voortaan de rente en aflossing toekomen aan de erfgenamen van wijlen Gertrudis Maen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 318-f.65.)

De weduwe noemde daarbij Jan Joosten ofte Ceuben, die het huis in 1646 aan haar man had verkocht. Zonder die toevoeging van de alias-naam zou de link naar de pachter uit Herten niet gelegd zijn. In het Verdrachsboeck (Donderdagsprotocollen) van de stad wordt midden december 1618 terloops genoemd zekere Jan Joosten, halfener op der Vrouwen abdisse hof tot Merum. Waarschijnlijk hebben we te doen met de vader van eveneens Jan Joosten, die in mei 1635 genoemd werd in zijn functie van schepen te Herten. Hij was toen 38 jaar oud. Jaren later, in maart 1660 trad hij op als getuige in voornoemd proces: Jan Joosten, alias Keub, geboren en getogen te Herten, maar ondertussen verhuisd naar Neer in het graafschap Horn. Daar was hij voor z'n eigen gaan boeren. (GAR: Hoofdgerecht inv.nr. 399: dd. 31-5-1635, Jan Joosten, 38jr., schepen te Herten; RHCL 01.004: archief Hof van Gelder te Roermond inv.nr. 317, proces 796.)

Zijn ouders waren in 1606 op Keubenhoff in Herten gaan wonen. Daarna heeft hij de pacht van hen overgenomen. Hij is gedurende 24 jaar schepen geweest in het gericht van Herten. Het vertrek van Joosten uit de gemeente lag tussen 1640 en 1650. In het ene geval komt hij nog voor als schepen, namelijk bij de verkoop van de Oudenborgh te Merum. Tien jaar later blijkt zijn plaats op de schepenstoel door een ander te zijn overgenomen.

Johan Joesten en Mericken Cremers hadden het huis in de Oliestraat gekocht in november 1624. In het dingregister van die tijd lezen we er meer over. De erfgenamen Willems verkochten toen een huis met brouwhuis op de hoek van de Oliestraat in Roermond (hoek Christoffelstraat) tegenover de Meelwaag voor 550 gulden en 1½ malder rogge aan genoemd echtpaar. Het huis was belast met een cijns van 5 malder rogge aan het St. Stefanus-altaar in de H. Geestkerk, te betalen met 15 gulden. In april 1646 verkoopt het echtpaar Joosten het huis voor 625 gulden aan Johan Solemaecker, brouwer, en vrouw Catharina Meijers. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 314-f.96 en 316-f.48.)

Mogelijk viel de verkoop van het huis in de Oliestraat in 1646 samen met het vertrek van Jan Joosten, alias Keuben naar Neer. Hij was de laatste pachter op de Keubenhof. Nadien heeft de Munsterabdij haar landerijen te Herten afzonderlijk verpacht.

 

Nelis van Beesel en Eghten van Aecken

De pacht op de Wijerhof van de kartuizers was ondertussen overgegaan op zekere Nelis van Beesel. Hij was getrouwd met Echtgen van Aken. In november 1637 kocht het echtpaar een huisje met achterliggende tuin in de stad achter Mariagarde. De koopprijs van 80 gulden geeft al aan, dat het inderdaad om een kleine behuizing handelde. In maart 1649, de vrede van Munster was toen al gesloten, verkochten zij de huisplaats weer, voor slechts 39 gulden aan de wederzijdse buren

Daar is het niet bij gebleven. In de zomer van 1660 kocht het pachters-echtpaar van de familie Immermans een huis met afbehang en moestuin achter Kloosterwand voor liefst 108 dukaten. Het lijkt erop dat de halfwin op de Wijerhof Nelis geen windeieren heeft gelegd. Deze keer zal oorlogsgevaar wel geen rol hebben gespeeld om tot de aankoop van een huis in de stad over te gaan. De tuin van de buren grensde achterlangs tegen het erf van de kruisbroeders op de Hamstraat. Daardoor is ook het huis van Nelis nauwkeuriger te situeren.

Wanneer Nelis op de Wijerhof van de paters kartuizers is gaan boeren, is niet bekend. Als zodanig wordt hij voor het eerst genoemd in 1655 als Nelis op de Wijer. Het is aan te nemen, dat hij daar toen al langer woonde. Tien jaar later moet hij de boerderij hebben verlaten. Maes Nijssen, zoon van Nijs Nijssen van Swalmen en Dircksken van Oest was vanuit het goed Overen te Sint-Odiliënberg verhuisd naar de pachthof van de paters kartuizers buiten het dorp Nyel ad Mosam.

De volgende akte geeft dan ook de mogelijke reden van het vertrek van Nelis als pachter op de Wijerhof. In november 1664 verkocht procureur Hillen met volmacht van pater prior der kartuizers het huis met het afbehang of klein huisje, moestuin en gang voor 1000 gulden aan Dirck am Puth en vrouw Beel. De situering laat geen twijfel mogelijk, dan dat het handelde om het huis van Nelis en Eghtgen. De meest logische verklaring voor deze (gedwongen) verkoop, is dan ook een achterstand in de pachtbetalingen door het echtpaar, hetgeen voor de kartuizers voldoende reden was om beslag op hun huis in de stad te laten leggen. (Zie ook: Jan Ruiten Onder den klockenslagh van Neel, blz. 167.)

NB. Nelis en Eghtgen zijn de schoonouders van Hendrick Aelen uit Westfalen, stamvader van de familie Aelen in Maasniel en omgeving. Nu is ook de naam, dan wel de herkomst van Eghtgen bekend.

 

Toevluchtsoord binnen de stadsmuren

Ongetwijfeld zijn er nog meer boeren van buiten de stad geweest die ernaar gestreefd hebben een onderkomen in de stad te vinden bij dreigend oorlogsgeweld. De plattelandsbevolking had het enerzijds zwaar te verduren van de troepen die de stad belegerden, maar ook van de garnizoenssoldaten die met roof en brandstichten erop uit gingen, om met een vette buit binnen de stad terug te keren.

Meerdere buitenlui hadden ook naaste familie in de stad wonen. Hier hebben we ons beperkt tot echtparen, waarvan kan worden aangenomen dat ze met voornoemd doel een huis in de stad kochten. Naderhand toen het oorlogsgeweld geweken was, werden deze huizen door de erfgenamen weer verkocht.


Detail kaart van landmeter Janssen na de stadsbrand. De juiste ligging van de huizen onder voorbehoud, een verschuiving naar links en rechts is zeker mogelijk. Zonodig zal de kaart t.z.t worden aangepast aan nieuwe gegevens. OZB