Herten - Oudenborg

 






















Laatst bijgewerkt: 30-03-2013 © Jan Ruiten

DE BORGH-HOVEN TOT MERUM
Oude Borgstraat Merum, gemeente Roermond. (51° 10' 25" N - 5° 57' 25" O.)

Over het buitengoed d'Oudenborg te Merum is nog niet zoveel geschreven. Men zou meer verwachten over een landgoed met de resten van een middeleeuwse ruïne in de achtertuin. Hier alvast enige bijzonderheden uit lang vervlogen tijden over de oude winhof aan de rand van het dorp. Ergens rond 1800 werd de Borgh-kamp ingericht als buitengoed met een lustbosch en met een Engelse tuin bij de buren. (Zolang het onderzoek loopt, worden er nog wijzigingen en aanvullingen aangebracht.)


De Oudenborgh te Merum op de kadasterkaart van 1843.

|_____
Mei 1572:
Het goed Oudenborgh
wordt in leen gegeven
aan de schout van
Daelenbroek.

Het was op de laatste dag van mei in 1572 dat een overeenkomst werd gesloten tussen Harthart van Pallandt, vrijheer van Daelenbroek, en vrouwe Anna van Vlodrop enerzijds en de schout van Daelenbroek, Nicolaes Spee en diens vrouw.

Het echtpaar Pallandt droeg meerdere goederen te Herten in erfpacht over aan het echtpaar Spee en hun erfgenamen. Het betrof bij elkaar zo'n 103 morgen akker- en weiland, verspreid gelegen in verscheidene velden. De grond was afkomstig uit twee oudere erfpachten. In plaats van een eenmalige koopsom zou de schout jaarlijks met st. Andries (30 nov.) een vaste graanpacht leveren op het Huis Daelenbroek, of uiterlijk twee weken daarna, dus voor Maria Lichtmis.

Vanaf die tijd werd over deze stukken land gesproken als de Nicolaes Spee-pacht. Deze erfpacht bedroeg 14 malder, 5 vaten rogge en 6 malder haver, en voor de Mispelenbaand achter de kerk (lees: Lege Beemden) betaalde Spee jaarlijks 12 gulden aan geld. Bij misbetaling, dus wanneer de erfnemers den verschulden pacht van een jaer in 't ander verloopen laeten, zouden de goederen weer aan de vrijheer van Daelenbroek terugvallen.

Tevens werd daarbij gevoegd een huis met woonstatt en tuin aan de Roermondseweg, voorheen door Marten van Odenkirchen, de windtmullener, daar opgetimmerd. Het huis was belast met een cijns van "eenen guetten zalhafftigen cappun" ofwel 3 stuivers aan de vrijheer. In het verdere verloop is van dit huis nooit meer sprake geweest. (Bron: Register der Erffpachten gehoorende tot den vrijadellijcken Huijse Dalenbroeck 1766, blz. 204, uit privébezit.) De enige Merten van Oydekirchen die daarvoor in aanmerking zou kunnen komen, was toentertijd eigenaar van de volmolen met huisje aan de Roer. (GAR Hoofdgerecht inv. 311, meerdere akten.)

We spreken dan nog niet over de Borg te Merum zelf. Die viel toen immers al sedert anderhalve eeuw onder de Hendrick Bressen-pacht. Op de eerste april in het jaar 1426 bevestigde Jan van Loon, oudste zoon van Heinsberg, dat zijn vader in erfpacht had uitgegeven o.a. den Borgh-Camp en verder meerdere bunders land en beemd aan Heijnen Avenbroet. In ruil daarvoor zou Heijn, en na hem diens opvolgers, jaarlijks leveren op st. Andries (30 nov.) 10 malder rogge en 19 malder evene (haver).

Jan van Loon was als vrijheer van Daelenbroek een voorganger van Hattard van Pallandt. Deze en andere erfpachten stammen dus uit de persoonlijke bezittingen van de vrijheer. Als herengoed waren de percelen vrijgesteld van grondbelasting.

Ruïne de Aldenborgh
begin 19e eeuw.

 

De kamp ontleent zijn naam aan de steenkolos die daar al sinds mensenheugenis staat en waarvan de oorsprong nooit helemaal is opgehelderd. De een verwijst naar de heren van Mereheim, een riddergeslacht uit de hoge middeleeuwen, en een ander brengt de ruïne in verband met de oude druïden, die hier hun offers brachten. Dit verhaal gaat niet over het robuuste bouwsel zelf, maar over het landgoed, waarvan het deel uitmaakt.

Naderhand stond deze erfpacht op naam van Ruth Linssen, die wij ook kennen als de zoon van Lens Aventbroet, inwoner van Merum begin 17e eeuw. (GAR, Aanwinst Maastricht, ongeordende stukken: cijnslijst Munsterabdij.) Deze Lens Evenbroit werd in de schatlijst van 1575 aangeslagen voor 6 gulden (voor 6 bunders land) met de nadrukkelijke toevoeging: "behalven den erffpacht", ofwel: met vrijstelling van de landschat waarvoor de 6 bunders als eigen goed wel belast werden. Verderop in de lijst wordt ook zekere Jan Heynen gnt. Bres genoemd, gelijk met Lens Aevenbroit als inwoner van Roermond. Zij leveren elk 7½ vat rogge en 15 vat haver aan erfpacht.

Het overige land van de Bressen-pacht was verdeeld over 7 stukken, bij elkaar ruim 22 bunders groot, gelegen aan de Groeneweg, op het Linnerveld, aan de Hertener veeweg, de Rodenacker aan de Montforterweg en tenslotte nog het stuk land in het Bosdal.

In de loop der tijd zijn deze percelen verder opgedeeeld en op meerdere personen overgegaan, die allen hun deel zouden bijdragen aan de erfpacht, die door hun ophelder afgeleverd diende te worden op het Huis Daelenbroek. In 1722 was de opdeling al zover, dat 25 personen hierop werden aangesproken omdat de erfpacht al enkele jaren niet meer was opgebracht.

Nicolaes Spee was getrouwd met Maria Heystermans. Hij was lange tijd in dienst van de vrijheer van Daelenbroek en het is dus niet verwonderlijk dat de echtelieden hun zoon naar hem vernoemden en lieten dopen onder de naam Hartard van Spee, naderhand drost van het ambt Montfort. In 1595 verwierf Nicolaes Spee middels aankoop 3/5 deel van de Spickerhoven achter Maasniel ter inlossing van een schuld. Naar hem werd de boerderij ook wel Speen-Spicke genoemd.

Toen het echtpaar Spee deze goederen te Merum verwierf was er van een boerderij nog geen sprake, laat staan van een edelmanshuis. Waarschijnlijk heeft hij er wel als eerste een behuizing voor de pachter laten bouwen, zoals te zien is op onderstaand kaartje. Na de opdeling werd op het andere deel ook een boerderij gebouwd. Sindsdien sprak men van de twee Borgh-hoffen.

|_____
November 1640: Het goed Oudenborgh wordt in twee hoven opgedeeld, die vervolgens hun eigen verhaal kennen.

De zogenaamde Borgh-Camp met de oude burchttoren en de bongaard bleef ook daarna nog deel uitmaken van de Hein Bressen-pacht, naderhand nog geregeld de Rut Linssen-pacht genoemd. Het verloop van de elkaar opvolgende eigenaars was echter dezelfde als die van de Nicolaes Spee-pacht en de daaruit ontstane opsplitsing in twee partijen. Het goed te Merum ging aanvankelijk nog in onverdeeld bezit over op de kinderen Spee. Uiteindelijk werd een vergelijk getroffen tussen Elisabeth in gen Horst, weduwe van Hartard, en de kinderen van diens zuster Anna van Spee.

De Aldenborg te Merum viel daarbij toe aan Elisabeth van Baerle, in tweede huwelijk getrouwd met jonker Willem Karel von Harff zu Lorsbeck. Het echtpaar verkocht de bouwhof in november 1640 voor schout en schepenen van het gericht van Herten, Merum en Ool aan de volgende twee partijen: de rekenmeester Karel van der Meeren, getrouwd met Catharina van Berenbroeck, en aan de ontvanger Everardt Cyceram en vrouw Jenneke Verhaegen.

Zodoende ging de hof Ter Borgh te Merum met weyden, ackerlanden, boomgaerden, ende landerijen, zo leen-, laat-, alsook allodiaal goed voor 9000 gulden over op de nieuwe eigenaars, die bovenop de koopsom nog een courtoisie of speelpenning van 50 pattacons toelegden voor de vrouwe verkoopster. Het goed was diensten- en schatvrij, omdat het immers herengoed betrof. (F.Donckers in De Maasgouw-1895, nr.7, zonder bronvermelding. Met dank aan Jos Cox, Maasniel, voor de vriendelijke informatie.)

Ook de Speen-Spicke te Maasniel, dat aan Hartard van Spee was toegevallen, was eenzelfde lot beschoren. In 1645 verkocht schoonzoon jonker Holthuysen de boerderij aan het jezuïetenklooster te Roermond. De erfgenamen Spee waren tevens eigenaars van het leengoed Roerbosch te Roer en van de leengoederen Ter Horst te Echt en Hasselholt nabij Ohé en Laek.

Kort na voornoemde verkoop, uiterlijk in 1649, had Catharina van Spee, de weduwe Olimart, een proces aangespannen tegen de heren Van der Meeren en Cyceram. Dat blijkt uit een kort extract uit een overigens verloren gegaan procesdossier voor het gericht van Herten, Merum en Ool. Over de aanklacht zegt het ons verder niets, maar het kan bijna niet anders of de zaak handelde over de hof te Merum. Mogelijk, dat Catharina, als dochter van Hattard van Spee, heeft geprobeerd het goed terug te kopen, om toch nog iets uit de nalatenschap van haar grootouders voor de familie te behouden. (GAR: Aanwinst Maastricht, ongeordende stukken dd. 6-10-1649.)

In februari 1650 verklaarden de schepenen, dat zij enige tijd geleden erbij waren geweest toen scholtis Cocx zlgr. luid en duidelijk voornoemde verkoop had bevestigd, toen hij daarover gevraagd werd. De zaak was daarmee definititef geregeld. (F.Donckers in De Maasgouw-1895.)

 

 

 

 

 

|_____
Kaart Oolder-griend uit het boenderboek van 1682 met grond van de twee Borghoven.

Opdeling in twee partijen

In december 1641 nam het echtpaar van Rollingen, met name Johan Frans, vrijheer van Daelenbroek, en vrouw Margarita de Roelman, een lening van 600 rijksdaalders op bij de eigenaars van de Aldenborgh. In plaats van rente gaven zij aan de twee geldschieters in pandschap de geld- en graanpachten komende van hun "Hoff zu Mehrum", tot aan de aflossing toe. In die tijd was er onenigheid over het bezit van de vrijheerlijkheid. De inkomsten moest van Rollingen delen met zijn tegenstrever van Eynatten. Er was bij de bepanding dan ook sprake van de halve erfpacht. De wederhelft van de jaarpacht moesten de twee eigenaars gedurende de pandschap dus wel nog blijven afdragen. (RHCL Archief Hof van Gelder Roermond inv.nr. 444 procesnr. 4737, copia G.)

Verder bleef de vrijheer verplicht tot het onderhoud van de batten aan de griend te Ool. De eigenaars van de borghof, hadden tegen betaling de Lange stert aan de Maas in gemeenschappelijk gebruik.

Eenzelfde bedrag werd door de vrijheer opgenomen bij Tilman Woesting, schepen te Roermond. Uit de goederen behorende bij de Douveshof waren twee erfpachten te leveren. Ook hiervan werd de helft door het echtpaar Van Rollingen, vrijheer en vrouwe van Daelenbroek als pand uitgegeven in plaats van rente. (Register der Erfpachten blz. 201 e.v.)

Charles van der Mehren was als rekenmeester verbonden aan de Gelderse Rekenkamer te Roermond. Eerder dat jaar (febr. 1640) had hij een huis gekocht van ritmr. Frans van Haeften, broer van Gielis, als weduwnaar van Margriet van Dursdael. Het huis was gelegen op de hoek van de Hoge Hegstraat. Buurman, Johan Cocx, superintendant van de prinses van Hohenzollern, had als buurman het huis laten beschudden. De vrouw van de rekenmeester, liet desgevraagd weten, dat zij de koopakte niet kon vinden en dat men voor het beschud maar later moest terugkomen.

Ook schout G.H. van Randenraedt had zijn oog op het huis laten vallen. Uiteindelijk had vrouw van der Mehren genoeg van al het gedoe aan de deur en snauwde de bode toe, dat sij haers mans momboir nyet en wehre. Den scholtis soude doen tgene hem geliefde.

Een jaar later schijnt de zaak nog niet te zijn opgelost. In februari 1641 liet jr. Willem Carl van Herff namens zijn vrouw het huis beschudden. Als naaste verwanten van de verkopers hadden zij immers meer rechten dan de buren. Hij betaalde de koopsom van 2000 gulden met een samenraapsel van souverijnen, omkijkers, dukaten, jacobus-daalders, rozenobels, pistoletten, en brabantse kronen; allemaal gangbare muntsoorten die hier te lande in omloop waren.

Jonker Keverberg was de volgende in rij, die het huis wilde hebben en bereid was nog wat extra op de oorspronkelijke koopsom toe te leggen. Uiteindelijk werd het huis toch aan superintendant Cox verkocht. (GAR Archief Hoofdgerecht inv.nr. 315-316.)

Aldenborgh te Merum uit de erfdeling tussen Ciceram en Van der Meren. De ene helft toont de boerderij met de borg-ruïne en de halve boomgaard, die overging op Van der Meeren. Het andere deel beslaat de halve kamp en boomgaard van Cyceram. (RHCL Archief Magnee inv.nr. 117.)

Het echtpaar Cyceram had kort voordien van dezelfde jonker Keverberg een huis gekocht aan het Spiesengatske in de Neerstraat bij het afgaan van de Markt. In 1643 kocht hij ook het achterliggende huis (nu Roerkade), genaamd De Ververij. Evert Siceram, schepen te Roermond, was in zijn leven ontvanger van des koning's licenten. Hij stierf uiterlijk 1662.

De Nieuwe eigenaars van de Oudenborg te Merum besloten uiteindelijk, om tot een scheiding der goederen over te gaan. Hiervan is ook een kaartenboek (deels) bewaard gebleven. Daarin staan de boerderij en de afzonderlijke stukken land getekend.

Als zodanig vinden we de weergave van deze splitsing terug in het bunderboek van 1682. De goederen werden ook daarna aangemerkt als vallende onder de Nicolaes Spee-pacht. Ten tijde van Spee werd in de schatlijst ook al aangetekend, dat de grond niet belast werd als zijnde herenland. De boerderij die halverwege de kamp was gelegen, kwam helemaal toe aan het deel van rekenmeester Van der Meeren.


 
"Belangrijkheid, die een uitstapje naar Merum regtvaardigt, ontleent het landgoed alleen aan het colossale muurbrok, in den slottuin te vinden. 't Is het overblijfsel van een' vierkanten toren, waarvan een goed deel van een' der zijmuren en kleinere gedeelten van de beide daaraansluitenden nog duidelijk te herkennen zijn. De constructie is als die van Herten*; 't is gegoten werk, uit dezelfde bestanddeelen gevormd, maar de buitenzijde schijnt geheel met tufsteen te zijn bekleed geweest, terwijl de binnenkant, waarin de gaten van de balken nog zijn te onderscheiden, een ongelijke, ruwe oppervlakte vertoont." Uit: Wandelingen door Limburg, door J. Craandijk 1883, blz. 49.
(*De eeuwenoude romaanse kerktoren te Herten die in 1881 wegens de bouw van een neogotische kerk werd afgebroken.)















































In februari 1687 verkocht Gerard van der Meeren, kapitein in dienst van Zijne Majesteit, zijn hof te Merum voor 800 rijksdaalders aan Catharina Peters de Lange, weduwe van wijlen de lct. Johan Spee, in zijn leven schepen en oud-burgemeester van de stad Roermond.

Het betrof zijn helft van Den Alden Borgh, krachtens deling met wijlen de ontvanger Ciceram gedaan. De hof bestond uit een huis, hof, schuur, stallingen, de halve put en 62 morgen land, beemden en bongarden, de helft van de beesten (geschat op 123 pattacons) en met de last van een erfpacht van 7 malder 4 vat rogge, 3 malder 3 vat 2 kop haver en 3 vat 2 kop weit en wegens de Mispelbaand met 15 gulden aan de vrijheer van Daelenbroek en de vrouwe van Trips*. Dat was inclusief de 10 vaten rogge die enkele inwoners moesten bijdragen wegens eerder verkochte percelen land. (Register der Erfpachten blz. 183. RHCL Archief Hof van Gelder Roermond inv.nr. 444 procesnr. 4737, copia H.) (*NB. De families von Eynatten, "mede-eigenaars" van de heerlijkheid Daelenbroek, en Berghe van Trips waren meerdere malen aan elkaar gelieerd.)

Reden voor de lage prijs van deze verkoop waren de diensten (en beneficien) die de weduwe had gedaan voor de verkoper. Van der Meeren stond borg voor het eventuele tochtrecht van de weduwe van zijn broer.

Naderhand stond dit deel van de Borg op naam van lands-commissaris Petrus P.J. Petit, wiens nakomelingen zich Petit d'Oudenborgh gingen noemen. Naast de helft van de Borgh-Camp, vielen hiertoe o.a. land aan de Alden Meulenweg, op de Merummermert en aan de Breijwegsbeemd.

In 1697 gingen de weduwe en erfgenamen van schepen Johan Reijnier duPree over tot openbare verkoop van hun winhof te Merum met de schuur, stallingen, moesgaard, bongaard, landerijen en beemden, groot 30 morgen zwaar en 17 morgen licht land, en de helft van de beesten, te weten van de twee paarden, een veulen, 8 melkgevende koeien, 2 rinderen van 1 voeder, 2 kalveren, 13 schapen en 1 kreem met 14 baggen. Dit deel was naast het aandeel in de erfpacht belast met een lening van 150 pattacons bij schepen Bongaerts, hetgeen op de koopsom gekort zou worden. (RHCL Archief Hof van Gelder Roermond inv.nr. 444 procesnr. 4737, copia I.)

Op de tweede zitdag in oktober is de hof voor 570 rijksdaalders verbleven aan de landschrijver Johan Crebbers. (Register der Erfpachten blz. 193.) Niet veel later, in 1701 dreigde Crebbers zijn bouwhof te Merum, als onderpand van schulden, alweer kwijt te raken. Jaren later diende de zaak alsnog voor het Hof van Gelder, waarbij de landschrijver uitstel van executie aanvroeg. Dat is hem geruime tijd gelukt. Met meerdere leningen probeerde hij het hoofd boven water te houden, maar uiteindelijk waren de erfgenamen genoodzaakt de bouwhof te Merum te verkopen.

Over bouwaktiviteiten zijn we niet sterk ingelicht. Wel weten we, dat Crebbers in 1699 bij zijn hof te Merum een schuur heeft laten bouwen, (deels) op gemeentegrond. Daarvoor betaalde hij dan jaarlijks een cijns van 1 kapoen en 2 duiten, inclusief voor de nieuwe veeweg naar zijn boomgaard. (GAR Archief heerlijkheid Daelenbroek inv.nr. 76, leenregister.) Laatstgenoemde cijns komt terug in een belening door de nieuwe eigenaar van de Borgh in augustus 1727.

In januari 1712 beleende de landschrijver van het ambt Montfort en ontvanger van de Stevensweertse tol de Borghof met 47 morgen land en weiden, moestuin en boomgaard met 500 pattacons Spaanse munt bij Paulus Broeckhuysen, rector van het st. Mathias-altaar in de kathedrale kerk te Roermond, tegen een rente van 25 pattacons jaarlijks. De hof was al belast met een lening van 150 pattacons bij juffrouw Aldegonda de Jonge. Als bijpand stelde het echtpaar Crebbers hun huis in de stad, dat echter al beleent was met 300 pattacons bij "de onnosele Spee", de erfgenaam van de rijke weduwe Catharina Peters de Lange. (RHCL Archief Hof van Gelder Roermond inv.nr. 444 procesnr. 4737, copia K .)

Twee jaar later in september 1714 volgde een nog grotere lening, om daarmee bovenstaande schulden af te lossen. Zijn broer, de kanunnik Hendrick Crebbers, leende hem het lieve bedrag van 1000 pattacons tegen 4% rente. Het kapitaal werd door de kanunnik geschonken en met rente en al overgedragen, wegens de goede zorgen die de landschrijver had getoond tijdens de langdurige ziekte van zijn broer. (RHCL Archief Hof van Gelder Roermond inv.nr. 444 procesnr. 4737, copia M.)

Toch blijkt Crebbers dan nog niet uit zijn geldzorgen te zijn. Opnieuw stellen Johan en zijn vrouw Jehenne van den Broeck nog datzelfde jaar hun bouwhof te Merum als onderpand voor een lening van andermaal 1000 pattacons tegen 5% bij Eugenius Bors, postmeester van Zijne Keizerlijke Majesteit. In deze lening blijkt ook de drossaerd van het ambt Montfort voor 200 pattacons partij te zijn.

In 1721 verwierf drossard J.I. van der Heijden "eenen hoff tot Merum met boerenhuys, stallingen" enz., die op zijn beurt deze helft in 1727 tot onderpand stelde voor een lening bij dhr. Bors. Vanaf 1723 was hij naast drost ook rentmeester van het ambt Montfort. Al gauw werd hij door de nieuwe vrijheer van Daelenbroeck aangesproken wegens de achterstallige betalingen. In een ander stuk werd Van der Heijden al in 1719 genoemd als eigenaar. In die jaren werden de schattingen van de hof betaald door This Florob, pachter van voor 1717 tot 1722, en daarna door Thiell van der Kitzen, diens weduwe of opvolger?

Jacob van de Heijden (1685-1743) was een zoon van Jacob van der Heijden en Christina Bors. In 1730 trouwde de drossard van Montfort met Rebecca van Esvelt. Zijn grootmoeder was een Crebbers, wat kan wijzen op verwantschap met de vorige eigenaar van Syceramshof te Merum. De nieuwe vrijheer van Daelenbroek sprak hem erop aan dat de erfpachten sinds jaar en dag niet meer betaald waren. De drost was echter niet van zins meer dan zijn aandeel te betalen, waarop baron de Meer d'Osen bij het leen- en laatgerecht te Maasniel om arrest vroeg voor het bedrag van 90 gulden en zo'n 80 malder graanpacht. Dat werd hem eind 1726 inderdaad door het leenhof toegewezen.

Lange tijd na het overlijden van de drossaerd in 1743 bleef de Borgh nog op naam staan van zijn erfgenamen. Terwijl de landscommissaris Petit al een proces had aangespannen tegen de vrijheer met als inzet de tiendvrijheid van zijn andere pachthof te Merum, startte hij tevens een procedure omtrent de griend te Ool als onderdeel van de beide Borghoven. Bij dit tweede proces, dat zich jarenlang voortsleepte (1774-1788), had Petit de erfgenamen van drost Van der Heijden aan zijn kant staan.

In september 1781 stierf te Herten (lees: op de Oudenborg te Merum) de schout van Daelenbroek Johan Joseph DeMaes. Al in 1757 had hij om de hand gedongen van Anna Maria Rijcksz (1736-1795), dochter van de drost van Montfort. Haar vader was mordicus tegen dit huwelijk. Reden voor de jonge vrouw het ouderlijke huis te Roermond te ontvluchten en onderdak te zoeken in een klooster te Weert. Tot een huwelijk kwam het niet en in juli 1758 trouwde Joseph de Maes met Anna Sibilla Corten. Uit dit huwelijk werd (in Geleen) een dochter geboren, Frederica Eleonora (1764-1848). (RHCL Archief Hof van Gelder te Roermond, inv.r. 432 procesnrs. 4604 en 4605.)

Anna Sibilla Corten stierf te Roermond in juli 1772 en een tweede huwelijk was voor de schout snel geregeld. In december hertrouwde hij in tweede huwelijk met, juist, zijn eerste geliefde Anna Maria Rijcksz. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Joseph (1774-1843) en Eleonora (1775-). Anna Maria Rijcksz stierf in oktober 1795 te Weert (in het klooster?), maar werd in Montfort begraven door haar broer, de pastoor van Montfort. (RHCL Huwelijkse bijlagen Roermond dd. 9-4-1809.)

Mogelijk is de bouwhof te Merum via de familie Rijcksz in hun bezit gekomen, wegens de nauwe verwantschap met drost van der Heijden. In de jaren '90 van die eeuw woonde het gezin van haar broer Willem Rijcksz op het "bien de campagne" aan de rand van het dorp. Als nieuwe eigenaars werden rond 1800 alleen genoemd Joseph en Eleonora deMaes, kinderen uit tweede huwelijk van schout J.J. de Maes met Anna Maria Rijcksz.

 

Verkoop van de Borgh

In het archief van de familie Magnee te Horn treffen we een schrijven aan in het Frans opgesteld. Daarin vermelden de erfgenamen van landcommissaris Petit, dat zij het bien de campagne te Merum, genoemd "Den Berg" hebben verkocht aan Willem Hendrick Rijcksz en vrouw Isabelle Beaumont. De gebouwen met de tuin en ander land waren omgeven door een muur en een haag en belast met een cijns aan het Huis Daelenbroeck. Vanaf de muur aan de bloementuin liep een laan richting richting Oolderveld. De koopsom bedroeg 1800 pattacons, waarvan er al duizend betaald waren. De rest bleef als lening op het goed staan.

Verderop in de brief blijkt, dat het niet om het hele goed handelde, maar om een kleiner deel ervan, namelijk genoemde Berg als onderdeel van de erfpacht genoemd Borghoven. Deze cijnsverplichting behielden verkopers aan zich. Daarvoor stonden zij borg met hun goederen en persoon.

De verkoop staat gedateerd op 13 december 1789. Het papier stamt evenwel uit de Franse Tijd met stempel en watermerk. Onder de verkopers herkennen we de oudste zoon P.P. Petit (1748-1827) en zijn vrouw M.A. Petit, geboren Pollardt. Zijn zus Maria Agnes Petit (1746-1807), geassisteerd door haar schoonbroer de landscholtis J. Pollart, en de weduwe van de overledene, Josepha Petit, geboren d'Olivares (1734-1813). In het erfpachten register komt de overdracht niet voor. (RHCL, Archief familie Magnee te Horn AW-1924, inv.nr. 68.)

Enkele pachters

Rond 1720 komen we Thijs van Vlodrop tegen als pachter op Sicerams-hof van drossaerd Van der Heijden. In de jaren 50 van die eeuw woonde (diens kleinzoon) Willem van Vlodrop op de boerderij, zoon van Peter van Vlodrop en Maria Beckers. Hij was in juli 1751 getrouwd met Sophia Crans of Kranssen. Bij de doop van hun tweede kind Franciscus Rudolf in 1753 trad Rudolf Eugen Stephan van der Heijden op als peetoom namens de heerschap. Drie jaar later in januari 1756 waren diens broer en zus samen als doopgetuigen aanwezig, Jan Baptist en Anna Elisabeth van der Heijden. Het jongetje werd naar zijn peetoom vernoemd en kreeg als toegift de namen Caspar en Baltazar mee, om het feest van Driekoningen extra luister bij te zetten.

 

Erfgenamen Spee

Het bovenstaande schema van elkaar opvolgende eigenaars van het goed Oudenborg is niet meer dan een globale weergave, zoals is af te leiden is uit de kopie van het bunderboek uit 1682 en uit het erfpachtenregister van de vrijheer van Daelenbroek. Voor een nadere invulling zijn andere bronnen nodig. Hier alvast een eerste aanzet. Overigens, bij dat bunderboek heeft ook een kaartenboek bestaan, gemaakt door de toenmalige landmeter Herman Janssen. In 1788 was dat boek met caerten figurative in het bezit van landmeter J.F. Schomers te Roermond.

Juffrouw Spee, met name Catharina Peters de Lange stierf (20) november 1691. Zij werd met groot ceremonieel begraven in de kathedrale kerk van Roermond. Het altaar werd voor de dienst met rouwbekleding bedekt. Uit haar huwelijk met Johan Spee liet zij een zoon na, de onnozele Petrus Gerardus Spee. Na diens overlijden in juni 1711 werden de nagelaten goederen en kapitalen verdeeld onder de naaste verwanten van diens vader. Over het beheer van de kapitalen en de uitkering der renten werden twintig jaar later nog enige processen gevoerd tot voor het Hof van Gelder.

De lct. Johan Spee (1602-1658/60), schepen te Roermond, was de oudste zoon uit eerste huwelijk van (wijn)koopman Michael Spee en Alitgen van Wessem. Uit dit huwelijk waren nog meer kinderen geboren, wiens erfgenamen uitzagen naar de rijke nalatenschap van hun tante. Hij was in eerste huwelijk getrouwd met Catharina Cruijsancker.

In december 1732 kwamen de erfgenamen Spee tot een laatste vergelijk. De gemeenschappelijke goederen uit de erfenis werden geschat op ruim 20.000 pattacons, merendeels bestaand in uitgezet kapitaal. Let wel, dit was niet de hele nalatenschap van Catharina Peters de Lange. Ook de familie van wijlen Catharina Cruijsancker had haar deel in de erfenis reeds lang voordien ontvangen. Nu blijkt, dat het goed te Merum in eerste instantie was overgegaan op de overste jonker Anthoin Otto a Closs* (1660-1737), (mede-)eigenaar van o.a. de Mouthagen te Maasniel. Hij had de Borghof van zijn tante met de bijbehorende landerijen -getaxeerd op 1000 pattacons- eerder dat jaar overgedragen aan de erven Spee. Verder blijkt, dat niet alle landerijen door de halfman op de Borgh werden beakkerd. Enkele percelen waren apart in pacht uitgegeven. (RHCL, 16.1115 Archief familie Magnee te Horn AW-1925, inv.nr. 239.)

*NB. De zegelbrieven, die de gemeente Roermond onlangs (2011) mocht ontvangen uit het archief van Bree (B), waren afkomstig van zijn nicht Joanna Cruijsancker, in huwelijk met de schout van Bree, en blijken merendeels te stammen uit de nalatenschap van Catharina Spee de Lange.

Bij de verdeling van de kapitale nalatenschap onder de erfgenamen Spee, verwierven de gebroeders Petit o.a. de hof te Merum. De gebroeders Petit, dat waren Theodorus Ludovicus (1676-1747), licentiaat en officiaal van het bisdom, advocaat Petrus Henricus (1679-1764), kanunnik, en hun jongere broer Simon Michael Petit (1681-1741), in oktober 1710 getrouwd met Maria Octavia de Rouillé.

Naderhand zou de Borgshof vererfd worden op diens zoon Petrus P.P.J. Petit (1716-1802), die in september 1745 trouwde met juffrouw Cornelia Sibilla Cox (1723-1749), jongedochter van Frederick Cox, landscholtis van het ambt Montfort, en Maria Ludovica de Masteel. Bij die gelegenheid verwierf het echtpaar de andere pachtboerderij aan de markt te Merum, de voormalige Diestershof als huwelijksgift van hun oom de kanunnik P.H.Petit.

Terzijde: In 1731 verkocht Aldegonda Bordels de Wijerhof te Posterholt aan schout Theodorus Clout. Kanunnik P.H. Petit wist middels beschud als naaste familielid beslag te leggen op deze pachtboerderij. De Wijer- of Vurenhof was overigens niet afkomstig van hun voorouders Michael Spee en Alitgen van Wessem, maar werd door Catharina van den Camp mee in het huwelijk gebracht. Zij was een dochter van bevelhebber Arnold Camps en Itgen Roeders.

Ook de Dasweilerhof in het Reutje kwam middels schenking terecht in het gezin van de landscommissaris Petit. In 1737 kreeg Florens Cox (1729-1754) de boerderij als een late pillegift van een ver familielid in de schoot geworpen. Na zijn voortijdig overlijden, ging de boerderij over op de kinderen van zijn overleden zuster Cornelia Cox uit huwelijk met Petrus P.P.J. Petit.

Vervolgens werd de boerderij in het Reutje via hun zoon Peter Patricius Petit (1748-1827) vererfd. Hij trouwde in oktober 1776 te Roermond met jonkvrouwe Maria Aldegundis de Pollart. Zij bracht o.a. de tweede hof op GenOuwen mee in het huwelijk. Deze boerderij was gelegen op de grens tussen Montfort en St. Odiliënberg, groot 26 bunder, bestaande uit huis, stallingen, schuur, moestuinen, boomgaard, weide en akkerland, plantagien en houtgewas, bij elkaar 26 bunders groot. Het merendeel aan elkaar vast.

Ernest Petit (1773-1837) haalde middels zijn huwelijk met juffrouw Joanna Josepha van den Bergh het edelmansgoed De Thooren te Maasniel weer binnen de familie. Jonkheer Ernest overleed in zijn koetsje op de Mulbrachter heide, terwijl hij onderweg was naar Swalmen. Evenals de Oudenborgh te Merum ging het Huis over op hun neef jonkheer Christopher d'Oudenborgh.

Zoals we al zagen, lagen de akkers en weiden van de beide "borghoffen" te Merum verspreid over de gemeente, van de Sterten aan de Maas tot de borghei aan de grens met Roer en Lerop. Volgens de gegevens van het kadaster uit 1840 blijken meerdere stukken land en wei van het buitengoed onder de overige erfgenamen van wijlen Petrus Patricius Petit te zijn opgedeeld.

De bouwhoeve De Dreef telde 13 bunders. Aanvankelijk ging deze boerderij op Het Zand over op de jongste dochter Cornelia Petit (1788-1876), tevens eigenares van Linssenhof in het Reutje. Slechts zo'n 2 bunders waren bij de boerderij gelegen. De rest lag ook hier verspreid.

Dan was er nog de zogenaamde Nieuwenhof, met akkers en weiden 22 bunders groot, afkomstig van Diestershof (1682) te Merum. Zaal en café De Schuur zijn daarvan afkomstig. Dit erfdeel ging over op dochter Agnes Petit e.v. Alexander van Aefferden. (GAR Archief heerlijkheid Daelenbroek inv.nr. 268.) Deze Alexander is de tekenaar van o.a. onderstaande prent van de Oudenborgh uit 1813. Ook de afbeeldingen van de ruïne bij dit artikel stammen van zijn hand. (Gerard Venner: Romantik an Maas und Rhein, uitg. Historischen Verein fur Geldern und Umgegend, 2009.)

 

Processen voor het Hof van Gelder

Zowel over de tienden van deze boerderij te Merum als over de geldpacht van de Lange Sterten te Ool aan de Maas is jarenlang twistigheid geweest tussen landscommissaris en de vrijheer van Daelenbroek. Na het overlijden van zijn vader in maart 1765 werd Renier Frederik de Meer, als oudste van zeven kinderen, de nieuwe heer van Daelenbroek. Zijn vader, de baron Frederik Victor de Meer d'Oosen had de vrijheerlijkheid met alle rechten en heerlijkheden in 1727 middels koop verworven.

Daarmee kwam een einde aan de tweeherigheid die tientallen jaren heeft bestaan terwijl de families van Rollingen en Eynatten elkaar als rechtmatige eigenaars van de vrijheerlijkheid betwistten. Het was in diezelfde tijd dat de twee eigenaars van de beide borghoven te Merum samen de weidegelden ad 30 gulden afdroegen aan beide partijen. Over de Mispelenbaand werd jaarlijks 12 gulden betaald, hetgeen vanaf 1572 door Nicolaes Spee en diens opvolgers ook zonder mankeren was gedaan. Naderhand werd over de Lange Stert te Ool een jaarlijkse pacht van 18 gulden betaald.

Vanaf 1717 werd van deze pachten nog maar de helft betaald en lange tijd, wegens deze twistigheden. Het heeft meer dan een halve eeuw geduurd, totdat de nieuwe vrijheer Renier Frederik orde op zaken stelde. Hij was erachter gekomen, dat de eigenaars van de twee borghoven, de landscommissaris Petit en de erfgenamen van schout van der Heijden, al sedert tientallen jaren in gebreke waren gebleven.

Hij eiste dat beide partijen de achterstallige betalingen vanaf 1765 alsnog zouden voldoen, terwijl hij afzag van de achterstand ten tijde van zijn vader. De zaak diende jarenlang voor het Hof van Gelder en men kan zich voorstellen dat de juristen niets ongemoeid lieten om het geschil lange tijd voort te zetten.

Landscommissaris Pieter Petit lag met de vrijheer ook al overhoop vanwege diens tiendrecht als heer van Daelenbroek. Midden in het dorp had Petit nog een tweede bouwhof, die van oudsher tiendvrij zou zijn. En plots werd nieuw gebroken land, zoals de kamp achter de boerderij hiermee belast. Net zoals de voormalige boomgaard op de Borg-kamp. Tot voor kort behoorde het stuk grond, met heggen omheind, nog tot de huisplaats. De fruitbomen werden gerooid en de grond tot akker omgeploegd.

De vrijheer volhardde dat hij als landsheer het recht tot tienden had. Na de oogst werden de vruchten in tien hopen gesteld, waarvan vervolgens de tiendpachter de keuze had. De rechtsgeleerden voor het Hof van Gelder konden het niet nalaten om zich te beroepen op antieke geleerden zoals Cicero en op het tiendrecht dat wijd verspreid over de Europese landen van oudsher gebruikelijk was.

Voor Petit gold vooral, dat de toenmalige vrijheer het goed tegen een hoge jaarpacht had uitgegeven met vrijstelling van tienden en andere grondlasten. Het hoeft aldus niet te verwonderen, dat Petit, ondertussen hertrouwd, en zijn twee kinderen uit eerste huwelijk in januari 1784 een lening van 800 pattacons afsloot bij de voogden van het minderjarige kind van wijlen Joseph Naus en Maria Catharina Stercken. Daartoe werd de genoemde Diesters- of Nieuwen Hoff te Merum als onderpand gesteld.



Landhuis de Oudenborg te Merum, 1813.
De tweede boerderij naast het buitenhuis van Petit behoorde aan Burghoff toe.
Links tussen prieel en bomenpartij is vaag op de achtergrond de
ruïne te zien.
.
Afbeelding: Gerard Venner Romantik an Maas und Rhein, Zeichnungen von Alexander Frans van Aefferden
und dessen Sohn Joseph van Aefferden, uitg. Historischen Verein fur Geldern und Umgegend, 2009, blz. 180.

 
"Als een rots rijst de vervaarlijke steenklomp met zijn afgebrokkelde zijden boven het houtgewas van den tuin, en als wij, langs den houten trap, op het vier meter dikke metselwerk aangebragt, het koepeltje op den vlak gemaakten top hebben bereikt, dan overziet ons oog een uitgestrekt panorama. Voor een' wachttoren was zonder twijfel de plek uitstekend gekozen. Hoe ver kunnen wij de kronkelingen der Maas volgen, waar zij zich door vruchtbare velden slingert! Hoe breidt het dal zich voor ons uit, waardoor in oude tijden, blijkens de nog aanwezige sporen, een tak der Roer zich een' weg had gebaand, om zich te storten in de groote rivier! Hoe onbelemmerd kan de blik weiden over de bergvlakte, in de verte door blaauwende heuvels afgesloten!" Uit: Wandelingen door Limburg, door J. Craandijk 1883, blz. 49.



















Ruïne de Aldenborgh
begin 19e eeuw.
 































Neder-Cruchten ca. 1950
met het statige huis op de
Kerkberg.
Foto: W.Peters























































Anno 1766 waren de meeste percelen van de Borg nog gelijk over beide eigenaars verdeeld. Enkele stukken land waren ondertussen doorverkocht. Het deel van rekenmeester van der Meeren, bij elkaar 62 morgen (bijna 21 bunders) was ongeschonden overgegaan op commissaris Petit, volgens opgave in 1766. Van het deel van dhr. ontvanger Ciceram, 19 bunders, was minder dan 16 bunders overgebleven wegens verkoop van enkele percelen aan derden. Zo had bakker Symon Corsten de bunder land op de Merummermert in eigendom. Naderhand is middels verkoop en erfdeling nog meer grond ontvreemd van het oorspronkelijk domein.

Hoewel de vrijheerlijkheid Daelenbroek als zodanig onder het Frans bewind werd afgeschaft, is de erfpacht blijven bestaan en was toen te leveren aan ridder van der Renne. Zo werden de gebroeders Petrus Patricius en Ernest Petit, samen met de erfgenamen deMaes, ieder als ophelder van zijn helft aangeslagen voor het volle erfmalder graanpacht zoals oorspronkelijk op het goed rustte: 24 malder 1 vat. Daarvan werd de koopman en industrieel Antoine Burghoff in 1813 aangeslagen voor het deel van de erfgenamen deMaes.

Buitengoed met lusttuin

Volgens het bunderboek dat de leengriffier J.B. Haex in 1766 kopiëerde naar het oude register uit 1682, waren de toenmalige moderne bezitters de erfgenamen van drost Van der Heijden van de helft van de ontvanger Ciceram. De andere helft, afkomstig van rekenmeester Van der Meeren was overgegaan op commissaris Petit, zoals hierboven beschreven.

Het waren diens kinderen die het "bien de campagne" te Merum verkochten aan Willem Hendrick Rijcksz. De boerderij met de halve kamp stond naderhand in 1813 op naam van Antoine Burghoff (1762-1831), geboortig van Gulick als zoon van Johan Jozef Burghoff en Maria Theresia Sijben. Anthon was toen al weer weduwnaar van Aldegonda Severijns (1759-1811), met wie hij in oktober 1785 was getrouwd. Het gezin Burghoff woonde in het huis De Drie Kronen op de Varkensmarkt (Marché-aux-cochons), in 1802 door zijn ouders in eigendom verworven. In de akten komt het pand voor als hun Stamhuis, van waaruit de handel gedreven werd, met stallingen, remise, pakhuis, de tuin met de put en het huis ernaast. (Zie: C.Ruijs-Janssen: Zomaar een huis op de website Historie Roermond.)

Dan was er nog het zomerhuis aan de watermolens, twee huizen op de Bergstraat, een huis op de Schuitenberg, op de Steenweg, het grote en kleine huis aan de Kaanjel. En nog enkele meer. Buiten de stad was dat Kloostershof te Asenray, de Wildehoeve te Beesel-Leeuwen, de boerderij genEyndt te Beesel, het huis Groenewald te Swalmen en de Suydewijck Spick met de twee pachthoeven. Daarnaast waren er de ontelbare percelen weide- en akkerland, hei en hakhout verspreid gelegen van Beesel tot aan Linne toe.
mmmmmmm

Bij de welgestelde burgers was het gebruikelijk om de kinderen drie of vier doopnamen te geven. Uit bovenstaande handtekeningen onder de erfdeling van 1831 kunnen we de roepnamen optekenen. Linker rij de vier zoons: Jacob, Guillaume, Joseph en Francois. Rechts de drie dochters en hun eega's: Agnes, Barbara en Clara.

Dochter Clara Burghoff, echtgenote van de bankier T.J. Schmitz duPree, erfde o.a. de Douveshof te Merum. Haar zus Barbara Burghoff, in mei 1824 getrouwd met Johan Backhuys (1784-1836), griffier bij het Vredegerecht te Neder-Cruchten, verwierf behalve de Burghoffshof in de Linnerhei het herenhuis Aldeborgh te Merum met de pachtboerderij ernaast en de Engelse tuin erachter en verder nog zo'n 8 bunder wei- en akkerland. Het landgoed te Merum had Burghoff in oktober 1812 onderhands te Keulen gekocht. In 1831 werd nog steeds de oude erfpacht hierover betaald aan de heer van Daelenbroek, Prosper van der Renne. Het land werd beakkerd door Jan Geerden, terwijl Hendrik Janssen nog 4 bunder land te Herten in pacht had. (GAR: Archief notaris F.W. Milliard inv.nr. 12-106, dd. 16-7-1831.)

De katholieke Anna Barbara Burghoff (1793-1844) trouwde in november 1837 in tweede huwelijk met de protestantse Hermann baron von Glasenapp (1802-1869). Voor dit gemengde huwelijk was dispensatie verleend. Maar twee geloven op een kussen...

De baron von Glasenapp had zijn bezittingen te Merum in kaart laten brengen. Hiernaast zien we alleen het buitengoed, bestaande uit een herenhuis met lusttuin en de aangrenzende bouwhof met moestuin, dus zonder de bijbehorende akkers en weiden. De Borgh met de bijbehorende landerijen was volgens meting in 1838 nog slechts 11 hectare groot, ofwel in oude maat bijna 36 morgen. (GAR: Archief notaris F.W. Milliard, 1838 nr. 312.)

De 40-jarige Barbara had de jonge baron middels een wederzijdse kennis ontmoet. Herman diende toen nog als adjudant te Erkelenz. Hij had zich laten overhalen met de rijke weduwe te trouwen, zonder zich te vergewissen wat hem te wachten stond. Hij dacht dat zijn bed nu met rozen gespreid was. Het huwelijk moest uitkomst bieden aan zijn financiële nood. Barbara's vermogen werd op 100.000 daalders geschat. Maar met het geld had hij ook een twistzieke vrouw getrouwd. Het leven werd hem door Barbara tamelijk zuur gemaakt, zoals zijn voorganger al eerder had mogen ervaren.

In de grafrede na het overlijden van Barbara (febr. 1844) vroeg de weduwnaar zich af, waarom zijn vrouw tijdens haar leven niet net zo vredig en stil had mogen zijn als toen in het graf. Herman schudde het stof van zijn schoenen, aldus onze zegsman, en reisde spoorslags af richting Pommeren, waar hij de 25 jaar jongere Hedwich von Puttkammer trouwde met wie hij een grote schare kinderen kreeg.

De baron liet de erfenis die Barbara hem had nagelaten, verkopen door tussenkomst van een goede kennis, burgemeester Michiels van Neder-Cruchten. Met het geld kon hij zijn nieuwe aankopen, zoals zijn drie riddermatige goederen in Pommeren, financieren. (Vriendelijke informatie W. Peters te Gaggenau bij Baden-Baden, Duitsland en Charlotte Ruijs-Janssen, Roermond..)

Op de kaart staan kronkelende paden ingetekend, die leiden naar een tuinhuisje, een prieel, of een ander klein bouwsel, met struiken en boomgroepen, wisselende partijen loof- en naaldbomen. Een echt buitengoed om zich even elders te wanen, weg van de stadse drukte in een kunstmatig aangelegde natuur, dat wel. Datzelfde beeld is terug te zien op foto's uit later jaren.

Wij zouden het een siertuin noemen, door een tuinarchitect aangelegd naar de mode van die tijd. Kadastraal sprak men toen van lusttuin en lustbos, wanneer bomen het geheel overheersten. Versierd met een prieel, of, zoals bij de buren met een heuse ruïne, waarvan men overtuigd was, dat het bouwsel stamde uit de tijd van de druïdes die hier hun offers brachten. Op de restanten werd een houten getimmerte geplaatst, met een ooievaar als bekroning van de belvedere, van waaruit men kon genieten van een wijds panorama bij de middagthee.

De opslitsing midden 17e eeuw van de Borg-kamp en van de afzonderlijke percelen tussen de twee eigenaars kunnen we zien als een eerste aanzet tot de 19e eeuwse afbrokkeling van een volwaardig landgoed. De oorspronkelijk eenheid tussen de landerijen van de Nicolaes Spee-pacht met de borgkamp kwam los te staan. De beide pachthoeven onderscheidden zich in niets van de gemiddelde boerderij in de buurt. Daarvoor was het bijbehorende land te gering in omvang. Let wel: in 1582 omvatte de Borgh, inclusief de kamp nog 120 morgen aan land en weiden.

Voorlopig bleef het buitengoed te Merum in de familie. De Borg-hof, zoals hierboven beschreven, werd in januari 1846 te Wassenberg onderhands verkocht aan Constantijn Hendrix. De nieuwe eigenaar was kort daarvoor in september 1843 getrouwd met zijn volle nicht Antoinette Burghoff. Constantijn was een zoon van Andries Michiel Hendrix en Agnes Burghoff, zus van Barbara. Antoinette was een dochter van hun broer Jacob Burghoff. (GAR Archief notaris C.Guillon, inv.nr. 14.174.) Zijn vrouw verwierf de nabijgelegen Douveshof te Merum, afkomstig uit familiebezit.

"... Dit kasteeltje is verreweg het voornaamste gebouw van de stille, nederige buurt, al is het geenszins antiek en al is het niet veel meer dan een laag, breed landhuis, geel gepleisterd en min of meer verwaarloosd. Toch maakt het eenige vertooning door zijn terras en zijn' hoogen stoep, door zijne poort en zijne uitgestrekte nevengebouwen. Een groote tuin, die van de helling des heuvels afdaalt, is er aan verbonden, en door zijn hooge ligging heeft het huis ruime en fraaije uitzigten naar alle zijden..." Uit: Wandelingen door Limburg, door J. Craandijk 1883, blz. 49.

 
 

Vereen van de grond

In november 1861 verkocht Contantijn het door hem verworven buitengoed te Merum voor 5000 gulden aan de weleerw. heer Antonius J.I. Brems, die de koop aanvaardde namens de Vereniging der Passionisten te Merum. (GAR Archief notaris C.Guillon, inv.nr. 14.174.) De paters hadden zich hier al in november 1853 gevestigd. Aanvankelijk bestond de gemeenschap uit vijf personen, maar hun aantal groeide de komende jaren tot elf paters en leken. Tot 1870 stond het deel van Burghoff op naam van de paters die hier tijdelijk een klooster hielden. Het huis met de bijbehorende tuin en de boerderij werden bij openbare verkoop in juni 1670 voor fl.7.450 verkocht aan jonkvrouwe Maria Anna Petit d'Oudenborgh. Zij was enig kind en erfgename van jonkhr. Christopher Petit (1781-1860), oud-hypotheekbewaarder*, die in januari 1641 was getrouwd met de jeugdige Elisabeth barones de Locquenghien. (*Hoofd van hypotheekkantoor, die ervoor zorgt dat bepaalde zaken over onroerend goed -op verzoek- openbaar worden, zoals hier de onderhandse aankoop van de wederhelft van de borgkamp in 1812 door Burghoff.)

Haar oom Ernest Petit (1773-1837), oud-burgemeester van Herten, had het andere deel van het "bien de campagne" te Merum. Na zijn overlijden behield de weduwe Jeanne Petit-van den Bergh het vruchtgebruik van het buitengoed, met het "petite maison de campagne". Tevens ontving zij een jaarlijkse toelage uit de nalatenschap van 400 kronen.

Vervolgens ging de Borgh te Merum over op zijn neef jhr. Christopher Petit d'Oudenborgh, die het herenhuis met de lusttuinen vererfde op zijn dochter Maria Anna. Zodoende kwamen beide helften van de oorspronkelijke borg-kamp weer bij elkaar. Omstreeks 1870 was het landgoed na ruim twee eeuwen weer in handen van eenzelfde persoon. In 1895 werden de gebouwen, afkomstig van de paters, nieuw opgebouwd in de smaak en de stijl van die tijd. In hoofdlijnen is het verhaal dan rond. In de komende weken zal hier en daar de een en andere passage verder worden ingekleurd.

----------------------

  Met dank aan:
Charlotte Ruijs-Janssen, Roermond;
Willi Peters, Gaggenau bij Baden-Baden, Duitsland;
Horst-Dieter Jansen.

Gebruikte bronnen:
Gemeente-archief Roermond (GAR):
- Archief vrijheerlijkheid Daelenbroek, inv.nr. 316: bunderboek 1682, afschrift uit 1766;
- Register der Erfpachten Huis Daelenbroek 1766, uit privébezit;
- Hoofdgerecht Roermond, inv.nrs. 311, 314 e.v.;
- Aanwinst Maastricht, ongeordende stukken;
- archieven notarissen Roermond (zie tekst);
- Memories van Successie, Roermond en Herten;
- F.Donckers in De Maasgouw-1895, nr.7.
Regionaal Historsch Centrum Limburg (RHCL) te Maastricht:
- 01.004 Archief Hof van Gelder te Roermond, meerdere processen, zie tekst;
- 16.1115 Archief familie Magnee.
 

Aanverwante artikelen op deze site:


Nieuwenhof-Merum

Middels het huwelijk van juffrouw Anna Petit met jonkheer Magnee de Horn is een groot deel van de familie-papieren opgenomen in het archief Magnee. Geregeld is sprake van de bouwhof te Merum. Het blijkt dat de familie al in de eerste helft van de 18e eeuw daar twee pachthoeven bezat. Nog voor een der Borg-hoven middels erfenis in 1732 aan de gebroeders Petit zou toevallen, bezat de middelste van de drie broers er een andere pachthof, die hij na een fikse brand nieuw liet opbouwen. Mogelijk dat daarmee de naam Nieuwenhof aan de boerderij werd gegeven, of als tegenhanger van de Oudenborg. Meer weten over de rijke geschiedenis van deze bouwhof? Klik op de foto hiernaast.
 

De Thooren-Maasniel
Oude processtukken, die al meer dan een eeuw lagen opgeslagen in de kelders van het Rijksarchief te Maastricht, konden eindelijk worden afgestoft. Nu liggen de stukken in het gemeente-archief te Roermond te wachten op betere tijden. Zij handelen over een proces eind 17e eeuw tussen de erfvoogd van Roermond en de toenmalige bezitters van dit leengoed, bekend onder de naam De Thooren te Maasniel. Nieuwe feiten geven een inkleuring aan de geschiedenis van huis, hof en landerijen. Sommige veronderstellingen moeten nu bijgesteld worden. De overdracht van de familie van Herteveld naar advocaat Petit is anders verlopen dan tot nu toe gedacht werd.
 
Linssenhof-Reutje
Linssenhof aan de rand van het Reutjesbroek is van oorsprong een Gelders leengoed. In voorbije tijden werd de boerderij genoemd naar de (oorspronkelijke) eigenaar: Daswijlerhof, beter bekend als Linssenhof. Vanaf 1438 is via de leenboeken een lijst van elkaar opvolgende eigenaren op te stellen. Rond 1600 verwierf Marcelis Cox, raadsheer aan het Hof van Gelder te Roermond “dat goedt in gen Raedtgen”. De boerderij werd vererfd op kleindochter Emerentiana Cox, op jeugdige leeftijd geschaakt door luitenant Henri de Monceau. Uiteindelijk was het hun enig overgebleven dochter, die de boerderij als pillegift schonk aan haar achter, achterneef Florens Petit. Na diens vroeg overlijden ging de hof in het Reutje over op zijn zuster Cornelia, getrouwd met Pierre Petit.